Bart De Wever is makkelijk te pakken

de wever rechts

‘Orthodoxe joden hechten ook veel belang aan uiterlijke tekenen van hun geloof. Maar zij aanvaarden wel de consequenties daarvan. Ik heb nog geen orthodoxe jood gezien die een loketfunctie in Antwerpen wil. Zij vermijden conflicten. Dat is het verschil. Moslims eisen wel een plek op in de publieke ruimte, in het onderwijs, met hun uiterlijke geloofstekenen. Dat zorgt voor spanningen.’

Bart De Wever vindt het nodig om onderscheid te maken tussen bevolkingsgroepen in zijn stad en linkt moslims aan conflictgedrag. Hij is inmiddels het punt voorbij dat hij ‘problemen bij de naam wil noemen om ze te kunnen aanpakken’, hij heeft zelfs geen problemen meer nodig, geen rellen op de Turnhoutsebaan, geen geweld tegen politie, om ‘paard en kar te noemen’. Er valt geen kar te bespeuren en nog spreekt De Wever van een lelijk paard. Hij verwijt links dat het de ogen sluit voor problemen, maar zelf verzint hij problemen. Het wordt moeilijk zo iemand ernstig te nemen.

En toch is het net dat wat gebeurt. Bart De Wever is volgens een bevraging van De Morgen bij ruim honderd prominente Vlamingen de meest ‘invloedrijke intellectueel’. Dat het zover is kunnen komen, is zeker niet de schuld van een of ander klootjesvolk waarover meewarig moet worden gedaan in kwaliteitskranten. Het zijn namelijk die kwaliteitskranten zelf die straks in de Seefhoek een human-interestreportage gaan maken met de vraag: ‘wat vind je van de uitspraken van De Wever over het verschil tussen moslims en joden?’. Dat zal dan op redacties beschouwd worden als objectieve verslaggeving, want elke mening zal aan bod komen – met de meest radicale citaten in de titel welteverstaan. Volgende week hebben ze het dan over ‘de heisa die was ontstaan na de uitspraken van De Wever’, terwijl ze er zelf een heisa van maakten. Zo word je dus ‘een invloedrijk intellectueel’.

De teneur is op dag +1 al gezet. De Standaard vatte een stuk aan met als boventitel ‘Zijn sommige minderheden assertiever dan andere?’. ‘Conflictueus’ werd door ‘assertief’ vervangen en ‘moslims’ door ‘sommige minderheden’ en de stelling werd een vraag, ten behoeve van de neutraliteit, maar de vraag werd toch maar mooi de publieke arena in geworpen, precies waar De Wever ze wil hebben.

Zelfde verhaal in De Morgen, via een interview met politicoloog Dave Sinardet die het thema krijgt voorgeschoteld. Hij wijst erop dat De Wever de joden niet aanvalt op hun visie op homoseksualiteit en de moslims wel. Daar krijgt De Wever wat weerwerk, maar de discussie is naast de kwestie en de journalist leidt met zijn vraag het verkeerde debat in. Voor je het weet, zitten twee verstandige mensen een discussie te voeren over welke geloofsgemeenschap al dan niet homofober is dan de ander. Weer wat De Wever wil: het debat op het vuur houden. Wat de kiezer zal onthouden, is: ‘die vreemdelingen zijn homofoob’. Ik zeg niet dat je het debat niet mag aangaan over de visie van religie op seksuele geaardheid, maar het onderwerp ligt hier vandaag wel gewoon zomaar op tafel, zonder aanleiding, en de katholieken en atheïsten blijven buiten schot.

Die beheersing van het politieke debat door één persoon, keer op keer, is op zich al verontrustend. Dat het debat ook nog eens draait om stigmatiserende uitspraken – zonder een concrete aanleiding – van diezelfde persoon, zonder dat die uitspraken zelf worden aangevallen, is nog verontrustender. Zeker wanneer die stigmatiserende besluiten van De Wever voortvloeien uit volslagen kromme redeneringen en navelstaarderij.

Wat De Wever doet, is zijn overtuiging als de waarheid aannemen. Dat je achter het loket geen hoofddoek of andere religieuze tekenen mag dragen, is voor hem gewoon een gegeven. Het is een axioma waarvan hij vertrekt, in zijn stellingname is dat geeneens een discussie meer waard. Je volgt dat dan braaf en bent een flinke jood of je legt je er niet bij neer en bent een conflictgedreven moslim. Zijn eigen mening is het uitgangspunt en je wordt door De Wever beoordeeld in hoe ver je daar in volgt. Dat heet overigens niet integratie, maar assimilatie. Zo blijft hij blind voor andere meningen en visies waardoor hij werkelijk denkt een pamflet te kunnen opstellen van Vlaamse normen en waarden die wij allemaal delen en waar nieuw- en oudkomers zich aan moeten houden.

Dat zo iemand de plak zwaait in Vlaanderen mag je gerust bang maken. Met enig vermogen tot zelfrelativering zou De Wever enkel kunnen besluiten dat zijn eigen mening nog altijd maar zijn eigen mening is en dat die niks meer waard is dan die van een ander.

We zijn ver heen als een job willen bij de stad bestempeld wordt als conflictueus gedrag. Je niet zomaar neerleggen bij een maatregel als het verbod op religieuze tekenen is volgens Bart De Wever dus muiterij. Simpeler gesteld: als je je niet zomaar neerlegt bij wat wij hebben beslist, ben je een belhamel. Het is een uiting van tunnelvisie. In je grote gelijk kan je er niet mee overweg dat iemand anders een andere mening heeft, je kunt het je zelfs niet voorstellen, de ander kan alleen nog een idioot zijn. Dan word je zo kwaad dat je die ander criminaliseert.  ‘Analyseer mijn discours van de voorbije dertig jaar. Je zal vooral continuïteit zien’, zegt Bart De Wever. Dat klopt, hij schoof geen millimeter op in de richting van een ander, wie dan ook. Ik zou me er als burgervader niet mee op de borst kloppen.

De veralgemening, het gebrek aan perspectief (er zijn gewoon veel minder joden dan moslims in Antwerpen), het beoordelen van het gedrag van anderen op basis van je eigen waardenpatroon, het vertonen van conflictgedrag terwijl je zelf het conflict opzoekt, het tegen elkaar opzetten van gemeenschappen. Er is onnoemelijk veel om De Wever op aan te pakken. In de plaats daarvan rent de pers als een bezetene naar de richting die De Wever aanwijst. Er was zondag geen vuiltje aan de lucht, geen wolkje aan de hemel en er was maar één man conflictueus: de burgemeester van een multiculturele stad. ‘Waarom doet hij dat?’ ‘Waarin zit zijn denkfout?’ Die vragen moet de pers beantwoorden. Leg die navelstaarderij bloot, de manipulatie van een bevolking in een verkiezingsjaar. Het is je verdomde plicht.

Meyrem Almaci en Kris Peeters zagen wel de lichtbak die De Wever had aangefloept, maar ze zagen er een afleidingsmanoeuvre in van de aanval met de handgranaten in Deurne en van het Antwerpse drugsbeleid. Ze maken daar in mijn ogen een kapitale fout, want ook zij sparen De Wever. Wat besluiten de N-VA-kiezers namelijk uit zulke terughoudendheid? Juist: ‘Niemand kan hem tegenspreken, omdat hij gewoon gelijk heeft.’

Pers en politiek verblinden zich. Ze springen mee in het hinkelpark dat Bart De Wever heeft uitgetekend. Hij gooit de steentjes in de vakjes waar je overheen moet, iedereen springt onachtzaam over de thema’s en meningen heen, over de kromme bochten in de redenering waar hij niet op wil ingaan.

Als greep uit de beledigingen die De Wever zijn politieke tegenstanders al heeft toegedicht, nemen we even die van zondag: ‘de valse menslievendheid van links’ omdat zij tegen een hoofddoekenverbod zijn. Doen de tegenstanders van De Wever nu echt zodanig in hun broek, zijn ze nu echt zo bang hun kiezers te verliezen, dat ze daar niet eventjes radicaal tegenin durven gaan? Laten ze zich nu echt dicteren wie of wat ze zijn, gewoon omdat ze een mening hebben?

Je kunt hier heel anders op reageren. Tegen een hoofddoekenverbod zijn, heeft niets met menslievendheid te maken, maar met de verdediging van de liberale waarden van de Verlichting. Ik heb helemaal niets met godsdienst en hoe minder religie er zou zijn, hoe minder wereldconflicten allicht. Ik ga ook niet beweren dat er geen enkel moslimmeisje vanuit enige druk een hoofddoek draagt en dat ook niet counteren met te tellen hoeveel er die hoofddoek dan wel uit vrije wil opzetten. De enige maatstaf die ik hanteer, is de grondwet: dat pakket waarden die sommigen zo graag in een Nieuwkomersverklaring zouden laten opnemen. En die grondwet zegt dat hier godsdienstvrijheid heerst en die godsdienst kan je niet op commando afleggen. Als je je hoofddoek moet afdoen op het werk, dan kan je hem net zo goed nooit dragen.

Jaja, er is de scheiding van Kerk en staat. Maar die valt pas wanneer religieuze voorschriften de wet gaan dicteren en in het huidige antireligieklimaat zou ik me daar geen zorgen over maken. De scheiding tussen Kerk en staat komt heus niet in het gedrang door een moslima met hoofddoek die een stempel op je paspoort zet.

Een andere waarde die we hier aanhangen, is: ‘een mens is onschuldig tot zijn schuld bewezen is’. Verdedigers van een hoofddoekenverbod bergen die waarde de facto op. Hun argument is dat de staat neutraal moet zijn. Wat zeggen ze daar eigenlijk mee? Dat iemand die een geloof belijdt zijn of haar job niet neutraal zou uitoefenen. Dat een moslima pakweg een homo niet fatsoenlijk zou behandelen aan het loket. Ik vind dat een schandelijke blijk van wantrouwen en een verborgen beschuldiging zonder dat de schuld is bewezen. Als er klachten zijn van klanten of burgers, zal je dat wel horen via de ombudsdienst of het klachtenformulier. Een hoofddoekenverbod is niets minder dan toegeven aan de vooroordelen van de burger tegen een moslim of een gelovige. En stel dan nog dat je je hoofddoek afneemt. Neemt dat je godsdienst en je overtuigingen weg?

Om het af te leren nog een oefeningetje dat je in een aanval op De Wever kan gebruiken. Hij begrijpt niet dat de mensen die in mei ’68 bh’s verbrandden, ook de mensen zijn die nu een hoofddoek ‘verdedigen’ (dat doen ze trouwens niet, ze verdedigen het recht op godsdienstvrijheid).

Wel, het is niet omdat dat allebei over religie gaat dat daar iets inconsequents aan zou zijn. Waar de mei ‘68’ers en die ‘valse menslievenden’ toen en nu voor pleit(t)en, is de vrijheid. Toen werd die onderdrukt door de overheersende katholieke kerk, vandaag door het overheersende anti-moslimdenken. Moeilijker is het niet, maar de journalist van De Zondag liet het allemaal wel passeren. Hij verlekkerde zich allicht op zijn primeur.

Bart De Wever aanpakken is gewoon makkelijk. Het enige wat je moet doen, is staan voor je eigen waarden en niet zwijgen of je laten wegzetten voor welke belediging dan ook die hij je wil toekennen. Sta voor wat je sta, ontsla al je spin doctors, kijk niet naar peilingen en spreek nu eens voluit. Pak Bart De Wever op zijn navelstaren, op zijn manke redeneringen, val hem aan op zijn eigen terrein (suggestie: de waarden van de Verlichting). Hij is niet slimmer dan jij. Begin er aan.

Welp

Wat een avontuurlijk scoutskamp moet worden, draait in Welp uit op complete horror in een schemerig bos. De Antwerpse regisseur Jonas Govaerts levert op de gruwel geen bloedspatje in, maar trekt de kijker ook voorbij het schrikken en huiveren. Wat gebeurt er als je een scout uit zijn tent lokt? Hoeveel kwaadheid en gevaar schuilt er in een twaalfjarig kopje?

Welp is een speelse mix van filmgenres. We zien een groepje Vlaamse scouts dat op kamp naar de Ardennen trekt en zetten ons schrap voor een vrolijke avonturenfilm. Blij dan wel dat we onze brave kinderen niet met de popcorn mee de cinema introkken, want wat volgt, is je reinste gruwel en geweld.

Avontuur in horror doen eindigen, is ten dele bedoeld als metafoor. Jonas Govaerts toont visueel aan waartoe bangmakerij van onvolwassen scoutsleiders zou kunnen leiden in de fantasie van een twaalfjarig kind. De leiders verzinnen een verhaal over een verwilderde jongen in een bos die ’s nachts in een weerwolf verandert. Wat als het kwaad nu eens echt was? En wat als die scoutsjongens dat kwaad eens echt te lijf gingen? Wat roept dat op in het bloed en de aderen van twaalfjarigen in volle ontwikkeling? Welke zwarte zones komen er onder de schedel vrij? En wie neemt als eerste het heft of het zakmes in handen?

De donkere krochten in een jongenskopje worden op het sinistere kamp van Govaerts dan ook helemaal gewekt. Wie zich als kind nooit prettig voelde bij opgelegd plezier, bij zingen voor een vlag, bij opstaan op commando, zal zich herkennen in Welp. We zien een treiterende leider (Stef Aerts) die een kind kleineert en meer aan de leidster (Evelien Bosmans) zit te frunniken dan dat hij om kinderen geeft. Had Jonas Govaerts zelf nog een rekening te vereffenen?

Het mooie aan Welp is dat er nooit een weerwolf opduikt, noch een zeskoppig monster dat kogels en gifpijlen blíjft overleven. Govaerts kiest voor de (gevaarlijke) verwilderde jongen, Kai, die een angstwekkend masker draagt. Een verstoteling. De jongen wekt tegelijk gruwel en compassie. Het lijkt wel of Le Gamin à Vélo van de gebroeders Dardenne in The Texas Chain Saw Massacre is beland. Bij die laatste film is Govaerts beslist gaan lenen. Achter de jonge Kai (Gill Eeckelaert) gaat in de Ardense bossen namelijk De Stroper (Jan Hammenecker) schuil, die in niets moet onder doen voor de slachter uit de kettingzagenfilm van 1974.

Waar in matige horrorfilms de spanningsboog geheel verslapt wanneer het monster of het spook in beeld komt, weet Welp de aandacht moeiteloos vast te houden tot voorbij dat punt. En dat lukt precies door die mengeling van genres. Als Kai oog in oog komt te staan met hoofdpersonage en scoutsjongen Sam (Maurice Luijten), begint er geen gevecht tussen goed en kwaad. Govaerts gooit twijfel in de lucht: kunnen deze jongens vrienden worden, zijn ze lotgenoten in eenzelfde strijd?

Welp kan leunen op de uitstekende fotografie van Nicolas Karakatsanis en de bij momenten vernuftige montage van Maarten Janssens. Het is een horrorfilm die doortrilt tot voorbij de eerste rilling.

Regie: Jonas Govaerts, Met: Sam Luijten, Titus De Voogdt, Stef Aerts, Evelien Bosmans

Turist

Turist

Je denkt lekker een weekje te gaan skiën met je gezinnetje. Tot je man zich bij een lawine uit de voeten maakt en jou en de kinderen vergeet. Dan heb je echt té veel tijd om na te denken, komen de bergen op je af. Is dit de man die ik liefhad? Turist is een pijnlijke prent over vervreemding en een sarcastische kritiek op oppervlakkig samenzijn. Dik hotel, duur speelgoed en daarachter niks.

Regisseur Ruben Östlund vond met de Franse Alpen een ideaal decor voor zijn beknellend psychodrama. De hoge bergen houden wintervakantiegangers in een kommetje vast, in Turist wijst alles op benauwdheid. Onder de dreigende tonen van Concerto n°2 van Antonio Vivaldi horen we de doffe knallen waarmee lawines kunstmatig worden opgewekt. Het geluid klinkt als mokerslagen en komt uit kokers die als monsterachtige klauwen over het skidorp hangen. Als je dat nog wilde: hier kom je niet meer weg.

Paniek vanbinnen

Het doet in beelden en suspense denken aan The Birds van Hitchcock, waarin een schijnbaar vredige omgeving minuut op minuut beklemmender wordt. Alleen is Turist geen thriller, maar een psychodrama. Östlund heeft geen zwarte vogels nodig, de benauwdheid start van binnenuit, vanuit de paniek van een koppel dat zichzelf niet meer herkent. Het zijn man en vrouw die de lawine op gang brengen. Symbolisch dan – voor het geval u niet meer volgen kan.

Het gezinnetje is getuige van een échte lawine, die gevaarlijk dicht op het terras van het hotel afkomt. De angst bekruipt moeder Ebba (Lisa Loven Kongsli), dochter Vera en zoon Harry. Ze slaan aan het gillen maar vader Tomas (Johannes Kuhnke) sust en blijft stoer het gebeuren filmen, tot hij op het eind zelf wegrent en vrouw en kinderen achterlaat. Het blijkt ook allemaal niet erg te zijn en het sneeuwstof gaat snel liggen, maar niet meteen in dit Zweedse rijkeluisgezin.

Ebba stelt zich ernstige vragen over het gedrag van haar man, die zijn vlucht ontkent en haar tracht te manipuleren. Hij geeft haar “het recht om de dingen anders te beleven”. Ril, huiver, sidder ende beef: het eigen malfunctioneren subtiel naar een ander geschoven. De setting is vanaf dan gelegd, de spelers staan paraat, de stress van de relatie hangt een film plus drie weken in je nek te hijgen. Suspense op vinkenslag, eat this Alfred Hitchcock.

Rijk en naakt

Toch zwelt die suspense al van ver voor de lawine aan. Geen zogenaamd “perfect gelukkig gezinnetje, maar dan breekt de hel los”. Geen kunstmatige ommekeer, geen plotse wending in de verhouding tussen Ebba en Tomas, want zo loopt het leven niet. Na het lawinevoorval barst de zweer open, maar de etter zat al klaar. We hadden toen al te zien gekregen hoe Ebba van een opdringerige fotograaf enkel de foto’s van de kinderen koopt, niet die van zichzelf met haar man. Ze vertelt ook aan een andere toerist dat ze op vakantie zijn ‘omdat haar man nooit tijd heeft met zijn werk’. Lees: ‘mijn man betaalt zijn schuldgevoel weg’.

Die man kan een luxehotel in de Alpen makkelijk betalen. Tomas gaat over lijken en hijst zich moeiteloos naar de top. Zijn machogedrag en gevoelloosheid, zijn onbekwaamheid fouten toe te geven, ze maakten hem tot wat hij is: materieel rijk en relationeel arm. Heeft zijn vrouw juist gekozen?

Östlund vernoemt niet eens die rijkdom, verwijst op geen enkel moment naar Tomas’ job, maar een inkijk krijgen we zeker. Hij toont verveelde kinderen met tablet en te duur speelgoed. Briljant en heerlijk sarcastisch zijn enkele raak gekozen scènes. Zo zien we elke avond de vier gezinsleden voor een badkamerbrede spiegel (hoeveel kost zoiets?) hun tanden poetsen met elektrische borstels en bijhorend irritant geluid. Dankzij de vooruitgang hoeven ze elkaar niet meer te horen. Ze staan naast elkaar in dezelfde designpyjama en zwijgen. Valse eenheid.

Ebba en Tomas staan helemaal naakt wanneer ze – om hun kinderen niet te wekken – op de gang van hun hotelkamer hun relatie trachten te redden. In het holst van de nacht, in hun ondergoed, met een bewaker die hen staat aan te staren. Help de rijken. Turist is een permanent pijnlijke prent over relationele mislukkingen, leegte en vervreemding. Verschrikkelijk voor wie niet durft kijken, verrukkelijk voor wie van sarcasme, harde dialogen en snijdende beeldtaal smult. Cinema die toppen scheert.

Wij vragen geen maagdelijkheid, maar ruggengraat

van besien

(foto: De Tijd)

“Langer aanmodderen was geen optie meer. Het ging alleen nog maar over personen, we moesten het debat weer over de inhoud laten gaan.” Met die woorden verdedigde Wouter Van Besien de ontbinding van het kartel Samen. Dat het in deze kwestie over personen ging en niet over inhoud, heeft hij nochtans zelf mee in de hand gewerkt.

Op geen enkel moment deed Van Besien een poging om het vuurtje dat onder Tom Meeuws stond te broeien enigszins te blussen. De negatieve sfeer en verdachtmakingen rond Meeuws werden door de groene kopman nooit gecounterd, wel was Van Besien er als de kippen bij om Groen te distantiëren van alles wat van ver naar onzuivere politiek zou kunnen ruiken. Of Meeuws echt wat had mispeuterd, maakte al lang niets meer uit. Het gebrek aan samen-horigheid van de groenen was ontnuchterend en nefast voor een project dat het daarvan moest hebben.

Van Besien kan toeteren dat het over inhoud moet gaan, maar wat de inhoudelijke meerwaarde was om groenen en socialisten samen te brengen, dat werd nooit verdedigd. Samen zou aan ‘positieve politiek’ doen en ‘een alternatief’ voor Antwerpen voorleggen. Lekker vaag. Een politiek project dat bij zijn lancering niet inhoudelijk wordt verdedigd, moet alarmbellen doen afgaan. Samen was enkel bedoeld om samen groter te zijn dan de N-VA. Zo wankel als een kaartenhuis. Het stuikte bij de eerste tegenwind dan ook in elkaar.

Groen verfoeit belangenvermenging en gesjoemel en gaat prat op zijn imago van zuiverheid. Dat is nobel en bewonderenswaardig, maar in de ijver haar maagdelijkheid te behouden, toonde de partij zich een alleenspeler en opportunist. Is dat zoveel beter?

Toen bleek dat Tom Meeuws als consultant etentjes hield met bouwpromotor Land Invest kondigde Van Besien aan ‘een hartig gesprek’ met Meeuws te zullen hebben. Na het gesprek luidde het dat Meeuws ‘zijn activiteiten als consultant zou stopzetten’ en dat ‘het vertrouwen behouden bleef’. Van Besien insinueert daarmee dat Meeuws in de fout ging en dat nu inzag in plaats van zijn kompaan door weer en wind te verdedigen. Want wat is er überhaupt mis met een etentje met een bouwpromotor als consultant die in dezelfde sector actief is? Die vraag had Van Besien moeten terugkaatsen naar oververhitte journalisten, maar zijn ruggengraat zagen we niet. Hij toonde zich een meeloper. De aanvallers kregen gelijk, de stemmingmakerij zette zich door, pesters kregen applaus. De blik van Van Besien was permanent op de buitenwereld gericht en hoe die naar de zaak zou kijken, een zorg voor de interne werking zag ik niet.

Het was in zijn reactie op de kwestie-Land Invest en niet pas deze week dat Van Besien Samen ten grave droeg. Groen verkoos zijn eigen hachje te redden in plaats van solidair een arm rond Meeuws te leggen. Zo diep ging de liefde in dit verstandshuwelijk. Van Besien voedde een klimaat van nattigheid dat wel vaker tot lekken leidt. Dat Meeuws facturen verknipte als topman bij De Lijn is misschien niet correct – al gaat het ook niet om omkoping of zelfverrijking – maar was het nieuws ook opgerakeld geweest als Van Besien als een man uit één stuk de kritische stemmen de kop had ingedrukt?

Bovendien – zoals politicoloog Dave Sinardet in De Morgen ook vaststelde – hebben de socialisten de rangen gesloten als reactie op de afstand die Groen plots inbouwde. Meeuws voelde zich in de steek gelaten en schuldig en sloeg een mea culpa, maar de socialisten lieten zich niet gewillig door de groenen vernederen en weigerden Meeuws’ ontslag.

Het gebrek aan loyauteit van Van Besien en de partijtop van Groen is een symptoom van dagjespolitiek. Een perslek en een paar journalisten die wat vragen stellen, zijn vandaag genoeg om in zeven haasten beslissingen te nemen, want, how maar, de kiezer zou wel eens van ons weg kunnen drijven! De naarstigheid waarmee Van Besien benadrukt dat de Antwerpenaar moet gediend worden, is aandoenlijk en pijnlijk. Door het kartel op te blazen, verkleint hij wel aanzienlijk zijn kansen om vanuit een burgemeesterspositie die belangen van de Antwerpenaar te verdedigen.

Het is maar twee weken geleden dat Bart De Wever een masterclass in roerloosheid gaf toen hij gedecideerd duidelijk maakte zonder meer Theo Francken te zullen blijven steunen, ongeacht wat het onderzoek rond de Soedanese vluchtelingen zou uitwijzen. Dat laatste gaat te ver, dat is lachen met de democratie, maar De Wever toonde zich wel een man van staal. Zijn uitdager wapperde deze week als een veer in de wind.

Ik ben één van die Antwerpenaren waarover u zich bezorgd voelt, mijnheer Van Besien. Ik kan u zeggen dat ik niet zit te wachten op een burgervader die van koers verandert bij elke nattevingerpeiling of straatpetitie. Ik wil een leider die zijn keuzes verdedigt en doortrekt en werkt aan een langetermijnbeleid. Die door een vuur gaat voor zijn mensen zolang ze niet duidelijk over de schreef gaan en die met inhoudelijke argumenten afstand neemt van zijn mensen als die wel over de schreef gaan. En dus niet omdat je anders een stem verliest en evenmin omdat het eventjes niet meer over mijn favoriete onderwerpen als fietsbeleid en propere lucht zou gaan. Ik geloof dat u die pas echt politiek kunt verdedigen als u standvastigheid toont. Adem door de neus en recht uw rug.

Als zelfs Unia de godsdienstvrijheid loslaat

lamrabet

(Foto: Rachida Lamrabet, op Schrijverspodium)

We hebben het punt definitief bereikt. Het punt waarop moslims in dit land hun godsdienstvrijheid definitief op hun buik kunnen schrijven. Vandaag heeft Unia afstand genomen van uitspraken van haar medewerkster/juriste Rachida Lamrabet. Die werkt voor een theaterproject van de Brusselse KVS aan een kortfilm waarin ze het recht verdedigt om een boerka te dragen.

Wat dit eigenlijk betekent, is het volgende: het centrum dat geacht wordt gelijke kansen te verdedigen, vindt het nodig officieel afstand te nemen van (het standpunt van) een medewerkster die het opneemt voor gelijke kansen – in de vorm van de vrije beleving van godsdienst. Il faut le faire.

Rachida Lamrabet is zelf ongesluierd, ze is ook geen fan van de boerka. Ze is gewoon juriste. Een juriste die haar eigen voorkeuren weet te scheiden van grondrechten. Een juriste die met vuur een uitspraak van Voltaire verdedigt: ”Ik ben het niet eens met wat u zegt, maar ik zal het recht om het te zeggen tot de dood toe verdedigen.” Voor de slechte verstaander is dat in dit geval: het recht om een boerka te dragen en je geloof te uiten. Hoe dwaas je het ook vindt. Alleen dat heeft Lamrabet verdedigd.

Die Voltaire was één van de grote voortrekkers van de Franse Verlichting. En de Verlichting is het boekje waarden en normen waarvan sommige politici hier zo graag een laagdrempelige versie zouden willen maken om in een Nieuwkomersverklaring op te nemen. Die kernwaarde van de Verlichting wordt met de aanval op Lamrabet alweer door diezelfde politici aangevallen, omdat het verdedigen van dat grondrecht niet meer zo lekker voelt. Het gaat namelijk niet meer over de eigen voorkeur of godsdienst, maar over die van een ander.

Van die waarde is vandaag helaas ook afstand genomen door een organisatie die in het leven is geroepen om deze waarde te verdedigen. Zelfs oud-politicus van Agalev/Groen en SP.A Ludo Sannen vindt (in De Standaard) dat blijkbaar niet meer dan normaal.

Lamrabet gaat niet eens juridisch in de fout. Ze heeft niet zoals François Fillon de rechters ‘politiek gekleurd’ of zoals Theo Francken ‘wereldvreemd’ genoemd. Ze heeft gewoon haar afkeer van een wet uitgesproken zonder de rechterlijke macht zelf in twijfel te trekken. Ze heeft haar mening geuit binnen een commentaar over een kortfilm en een theaterstuk, in een culturele context.

Voor wat Rachida Lamrabet doet, zou Unia een diepe buiging mogen maken. In tijden van polarisatie recht deze juriste de rug, heeft zij moed om tegen de modderstroom in te roeien en grondrechten (godsdienstvrijheid) te vrijwaren in tijden van hevige emoties (tegen de islam). Dat is toch min of meer wat in de missie en visie van Unia zou kunnen staan. Die modderstroom sleurt vandaag alles mee wat van ver of dichtbij naar moslimextremisme zou kunnen ruiken en een medewerkster van Unia die die stroom een halt toeroept, zou van de Unia-directie een boeketje mogen krijgen.

Lamrabet wijst ons er namelijk op dat niet elke vrouw in een boerka vanuit onderdrukking handelt en dat je geloof extreem belijden een grondrecht is zolang je daar niemand anders last mee berokkent. Zo simpel is het ook. ‘Mensen zijn onschuldig tot het tegendeel bewezen is’, is namelijk nóg een van onze grondbeginselen. Ook dat beginsel zijn we blijkbaar vergeten omdat het ons niet uitkomt. Liever gaan we er van uit dat achter een vrouw met boerka het kwaad schuilt, sinds het boerkaverbod geven we aan dat vooroordeel toe.

Het gelijkekansencentrum heeft vandaag de gelegenheid gemist om met de allure van een groot staatsman eens fors stelling te nemen tegen zoveel platitudes. Om een lijn te trekken en to do what a man’s gotta do. Om in Trump-tijden het gemanipuleerde volk nog eens duidelijk te maken wat burgerrechten zijn, hoe ver die mogen gaan en waarom Lamrabet juridisch niet te ver ging. Het had zich een baken van vertrouwen kunnen tonen, een juridische referentie, in tijden dat opkomen voor rechten van minderheden niet bepaald populair is. Het had met één lijn vanishing spray kunnen duidelijk maken dat sommige politici eens dringend op hun eigen helft moeten gaan spelen en rechtsinstanties gerust moeten laten.

Unia heeft dat niet gedaan en heeft zijn vel gered. Het centrum is bezweken onder druk van Demir en Homans en weet op korte termijn te overleven. Tegelijk heeft het vandaag haar nut, haar relevantie op lange termijn ondergraven, ze heeft als een Petrus haar eigen grondbeginselen verloochend. ‘Die moslim daar, nee, die ken ik niet.’

Mensen met een migratieachtergrond vragen zich nu al af of het vandaag nog wel zin heeft om bij Unia een klacht tegen discriminatie in te dienen. Unia heeft namelijk nauwelijks rechtsmiddelen om die discriminatie aan te tonen, ironisch genoeg omdat de partij die de minister en de staatssecretaris van Gelijke Kansen levert, gekant is tegen praktijktesten – een manier om zwart op wit een bewijs van discriminatie te kunnen leveren.

Het geloof van deze mensen in een (dan nog niet eens politiek onafhankelijke) organisatie die geacht wordt voor hun vrijheid op te komen, heeft er vandaag nog eens zwaar op ingeboet. In deze week hadden ze meer steun verdiend. Deze week namelijk had de politionele macht hen via een racistische whatsapp-groep nog maar eens teleurgesteld, zei een Europese rechter dat ze hun hoofddoek zowat kunnen opbergen op het werk, bleken ze 30 procent minder kans te maken op een jobuitnodiging en werd een filmpje tégen racisme door de minister van Gelijke Kansen aangevallen.

Was het niet om te huilen, je zou er om lachen, maar het is de politieke partij die vandaag een juriste verwijt dat haar standpunten onverenigbaar zouden zijn met haar functie, die precies zelf uitspraken doet die totaal ongepast zijn gezien de rol die ze invult. Theo Francken heeft namelijk nog deze week als staatssecretaris voor Asiel en Migratie in verdekte termen gezegd dat het beter is om vluchtelingen in de Middellandse Zee te laten verdrinken dan ze te redden. Zuhal Demir is ook staatssecretaris voor Armoedebestrijding en zei ooit dat arme mensen pas echt in beweging komen als hun geld op geraakt. Deze vertegenwoordigers van het volk schrijven de ene beledigende tweet na de andere over mensen die betrokken partij zijn binnen hun bevoegdheidsgebied, over wie ze verregaande beslissingen moeten nemen die hun leven aangaan. Precies deze politici gaan nu een juriste de les spellen in bevoegdheidsovertredingen. Op 25 mei komt Donald Trump naar ons land en kunnen grote geesten elkaar ontmoeten. Er worden nu al handjes klam.

Aan de plotse verdedigers van zwartepiet

Beste hyperverdediger van zwartepiet,

Eerst en vooral wil ik zeggen dat ik je niet als een racist zie omdat je zwartepiet verdedigt. Ik gebruik bewust het woord racisme niet, want wat is dat eigenlijk? Ik associeer racisme met bewust neerkijken op een ander – al dan niet geuit. Zwartepiet is ooit ergens opgedoken, wij zijn ermee opgegroeid en we zagen hem als een lollige grapjas of soms een kwaaierik waarvoor je moest oppassen en zeker een heel jaar braaf moest blijven. Het is bijna niemand aangeleerd dat dat een zwarte, onderdanige knecht is.

Het probleem is dat zwartepiet wel degelijk een onderdanige knecht is. De focus ligt er niet op, het is onze bedoeling niet, maar het beeld komt wel jaar in jaar uit op ons netvlies terecht. Als Bacardi voor haar drank reclame maakt met een wulpse vrouw in schaarse kledij, ben ik ervan overtuigd dat het niet de bewuste bedoeling is van Bacardi om vrouwen als lustobject voor te stellen, maar als die affiche voor mijn deur hangt, denk ik wel permanent aan seks terwijl ik aan drank zou moeten denken. En daar gaat het om, de voortdurende infiltratie van beelden op je geest. Precies omdat het hier om een feest voor kinderen gaat, lijkt het mij gezond en nodig om die link tussen zwart zijn en volgzaamheid voorgoed door te knippen, want kinderen zijn een leeg vat en wat wij er in gieten, is hoe ze er gaan uitzien.

Dus pleit ik minstens voor roetvegen, al vind ik het duidelijker om ook de kleding en de oorbellen weg te nemen. We kunnen toch wel creatief genoeg zijn om met een alternatief te komen? Iemand stelde de smurfen als hulpjes voor, dat zou nog eens geestig zijn.

Ten tweede zijn we in een samenleving waarin we doorgetrokken voor gelijkheid kiezen vrij slecht bezig als we ons gevoel rond zwartepiet gaan opleggen aan anderen. Wij voelen er vrolijkheid en een feestje bij, dus dan moeten Afrikanen het ook maar plezant vinden? Wat voor een samenlevingsmodel is me dat? Als jij je buurman een bijnaam geeft die hij niet kan waarderen, ga jij dan koste wat het kost die bijnaam blijven gebruiken omdat je hem zelf sympathiek bedoeld hebt? Neen, dat doe je niet. Je past je aan zijn wensen aan. Het zou dus fatsoenlijk zijn om rekening te houden met de gevoeligheid van anderen, zeker als die niet compleet uit de lucht is gegrepen (oorbellen, dikke lippen, onze geschiedenis in Congo,…). Als de piet echt door de schoorsteen kwam, dan zou hij trouwens eerder roetvegen hebben dan glimmend tot achter zijn oren zwart zien, niet?

Als je zegt dat alles bij het oude moet blijven omdat “wij” (de blanken bedoel je allicht – daar begint het al) dat gewoon zijn, dan sta je geen millimeter open voor de gevoeligheid van zwarten en minderheden in dit debat. Dat is niet zo bedoeld omdat jij ‘ons erfgoed’ verdedigt ‘dat wordt aangevallen’, maar dat maakt weinig uit. Door niets te willen veranderen aan hoe alles is, heb jij gezegd dat de ander zich moet aanpassen.

Je vindt dat dat ergens mag omdat jij als toerist je schoenen uittrok in een Turkse moskee, maar je vergeet te bedenken dat zwarten hier uit respect ook niet beginnen te zingen in jouw parochiekerk én, vooral, dat zij hier geen toerist zijn maar evengoed hun leven hier mogen uitbouwen als jij, met elke godsdienstvrijheid en vrijemeningsuiting die daarbij hoort. Je stelt het voor alsof zij zich op geen enkel terrein aanpassen (“ze moeten dit nu ook maar eens voor ons doen”), maar in de vele kleine gewoontes die wij in België hebben, moeten zij zich permanent aanpassen. Alles is hier ongeveer anders. Vraag jij aan deze mensen dat zij naast al die kleine aanpassingen (die je au fond al niet erkent) ook nog eens aanvaarden dat zij worden beledigd en vernederd door verwijzingen naar de verschrikkelijkste periode uit hun geschiedenis?

Je stelt Piet en Sinterklaas voor als een feest voor elk kind. Maar op een feestje voor alle kinderen, denk je ook echt aan àlle kinderen. En in een feestje dat iedereen mee organiseert, mag iedereen een inbreng hebben. Wat jij voorstelt, is een feestje waarvan alleen jij de regels oplegt en dat ik plezant moet vinden of moet opkrassen. Gezellig! Er zullen niet veel mensen met een migratieachtergrond naar je feestje komen.

Je zegt ook dat een pleidooi voor roetpieten mensen racistisch maakt. Daarmee zeg je dat het normaal is dat we mensen gaan haten wanneer ze, enkel in woord en debat, opkomen voor hun mening en gevoelens. Dat is net hetzelfde als tegen je dochter zeggen dat ze op de dag van haar verkrachting een te kort rokje droeg, zegt schrijfster Maartje Luif terecht. Een paar uur geleden had de leuze ‘Relschoppen op een kinderfeest is erger dan racisme’ 5000 likes. Mensen die tegen de gevestigde waarden ingaan, zijn dus relschoppers?

We vinden zwartepiet doodnormaal en juist daarom moeten we hem afschaffen

zwartepiet“Een kind ziet helemaal niets verkeerd aan zwartepiet, dus waarom zouden we hem dan afschaffen?” Het is heel erg gek en verontrustend dat dit een argument is van de verdedigers van zwartepiet. Het is namelijk de reden bij uitstek waarom we die hele zwartepiet uit de stoomboot moeten smijten. Dat een kind beelden krijgt van een zwarte slaaf die door schoorstenen kruipt in dienst van een grote blanke man zonder daar iets kwaads in te zien – logisch, het gaat om een kind -, is precies de reden waarom we echt komaf moeten maken met deze traditie. Een kind is volop bezig zijn beelden op de wereld te vormen. Kiezen wij er dan echt doelbewust voor om in dat beeldenpakket er eentje op te nemen van een zwarte – ach vooruit dan, een ‘neger’ – die het hulpje is van de brave, lieve, blanke heilige vader?  Is dat echt iets waarvan wij Belgen willen zeggen: ‘ja, daar kies ik voor’? Waar wij trots op zijn omdat het tot onze collectieve geschiedenis behoort? Zeggen wij echt: ‘ja, wij zijn Congo gaan leegroven’, en ‘ja, wij hebben er onder majesteitelijk gezag handen afgehakt van arme negertjes’, maar ‘neen, al wie zwart is, moet daar niet over beginnen zagen’, want ‘waar is da feesje, hier da feesje?’ en ‘ik heb recht op wat ik gewoon ben’? Gaan we echt in het contract met nieuwkomers laten opnemen dat ze moeten begrijpen dat wij jaarlijks een kinderfeestje houden met verwijzingen naar hun rol als slaaf? Omdat wij zelf in 1982 chocoladen ventjes kregen? En snoep uit een zak van een zwarte man met oorbellen? Is dat wat we in fierheid uitdragen? Het kolonialisme vormt de ‘zwartste’ bladzijde – of mag ik ‘meest duistere’ zeggen – uit onze Belgische geschiedenis, maar wij staan dus op en rechten de rug als iemand dat van ons wil afpakken. En wij zijn fier dat we op deze waarden en normen geen duimbreed hebben toegegeven. Bravo.

Ik ben zelf een blanke man van bijna veertig en pas de jongste jaren ben ik, dankzij het debat, eindelijk gaan stilstaan bij die zwartepietfiguur. Ik had er nooit iets mis in gezien en juist dat is verontrustend. Juist dat is het hele probleem. Al van voor de bokshandschoenen van het Vlaams Blok ontplof ik van woede bij racistische uitspraken, bij discriminatie, bij alles wat mensen uitsluit en op basis van vooroordelen in een hokje plaatst. Maar dat we met veel ‘tamtam’ (sta even stil bij de negatieve connotatie die we verbinden aan een Afrikaans muziekinstrument – u ooit opgevallen?) elk jaar een traditie omarmen die dat hokjesdenken bij kinderen installeert, dat lag al sinds de jaren tachtig buiten mijn blikveld. Meer dan dertig jaar heb ik dat normaal gevonden en juist dat is het probleem. Dat we gewoon niet beseffen welke beelden we binnenkrijgen. Beelden die onze kijk op anderen mee bepalen.

En dan dat andere argument: “Je mag het feest van kinderen niet afnemen.” Chantage via het kind. Nu niet langer binnen het huwelijk, maar in het publieke forum, met camera’s erop. En met niemand die daartegen inbrengt: ‘durf nog eens één keer de liefde voor mijn kind misbruiken voor uw eigen behoeftekes en ik zal u…’. Neen, het passeert allemaal geruisloos. Ik zal u zeggen wat een kind wil. Dat is alvast niet uw eigen nostalgie naar zwartepieten die u in de zak staken in de feestzaal van het parochiecentrum. Kinderen willen spelen en leut maken en hebben lak aan de nostalgische buien van hun ouwe pa. Ze willen FIFA spelen en hebben geen ene boodschap aan een ploegske Rode Duivels dat dertig jaar geleden in Mexico twee matchkes meer kon winnen dan verwacht. Uw tradities, uw radio Nostalgie, laten onze kinderen koud. En als je dan toch per se op je strepen staat, trek ze dan ook door. Pak hun Mindcraft af, gooi de Twister open. Beter is het evenwel je niet aan te stellen. Van al je principes krijg je een stijve nek. Stel je open, treed uit de verkramping, laat nu eindelijk los en een nieuwe wind binnenwaaien. Je dagen zijn geteld, je doden zijn begraven.

Strafpunten in het stemhokje

Politici van allerlei slag hebben de jongste maand uitspraken gedaan waarmee ze groepen mensen beledigen, zonder hun beledigingen met cijfers hard te maken. Dat leidt tot applaus bij de achterban, maar tot woede bij een meerderheid. Het wordt tijd dat we in het stemhokje strafpunten kunnen uitdelen.

Is het een ziekte van onze tijd? Is het onder invloed van Facebook en Twitter dat beleidsmakers zomaar hun gal spuien, boude uitspraken formuleren, niet door feiten gestut? Brussels burgemeester Yvan Majeur (PS) stelt dat ‘de Vlamingen zijn stad komen bevuilen’, in de vorm van hooligans. Kris Peeters (CD&V) zegt als minister van Werk dat we ‘boven onze stand leven’. Jan Jambon (N-VA) beweert dat ‘een significant deel van de moslims’ danste na de aanslagen van 22 maart. Obligaat volgt op zo’n uitspraak dat het niet zo bedoeld was, dat we niemand wilden kwetsen, om er in dezelfde ademstoot/rochel aan toe te voegen dat we er toch geen letter van terugnemen. Afzwakken om politiek te overleven, bevestigen om de achterban te pleasen. Vooral de manier waarop minister Jambon zich in bochten wringt, is aandoenlijk. Het ging ‘niet om honderden moslims’ maar het was wel degelijk ‘significant’. Uhu?…

Een burgemeester of minister mag ‘dingen benoemen’, ja. Hij mag mensen ook wakker schudden als onderdeel van zijn beleid, hij mag een kat een kat noemen. Als hij al gelooft dat een kat onder dwang haar streken afleert – nog niet vaak gezien. Hoe dan ook moet wat een kat lijkt eerst onder de statoscoop.

Het gemak, de decadente nonchalance waarmee cijfers en bewijzen links worden gelaten, waarmee beledigingen gratuit worden geuit, is beleidsmakers onwaardig, is politiek totaal niet correct. De verbolgenheid over de demarche van Jambon was groot, bij oppositie én meerderheid, vooral omdat zijn uitspraak stigmatiserend is. Het was evenwel Emir Kir, burgemeester van Sint-Joost-ten-Node, die de vinger het pijnlijkst op de wonde legde. In vier woorden: “U bent minister, he.” Zo is het. Een minister baseert zijn beleid op analyse, niet op buikgevoel. Om de begroting op een rij te krijgen, schakelt hij het Federaal Planbureau in, het volk verontwaardigen, mag kennelijk op lossere grond.

Peeters, Majeur en Jambon weten donders goed dat een ruim deel van de bevolking hun uitspraken afkeurt. Het hele punt is dat dat er niet toe doet. Met grove uitspraken jaag je misschien zeventig procent van de kiezers tegen je in het harnas, maar je drukt ook dertig procent dichter tegen de borst en dat is ruim genoeg om verkozen te geraken en minister te worden. Niet lang nadat uit een peiling van La Libre en RTBF blijkt dat N-VA zes procent van zijn kiezers verliest, voornamelijk aan het Vlaams Belang, weet Jambon die zes procent weer lekker tegen zich aan te trekken. Al de rest doet er niet toe. Al wie nooit voor hem koos en dat nooit zal doen, is quantité négligeable.

Dat hele achterbanbeleid is zorgwekkend. Wie denkt nog in het algemeen belang, wie zoekt nog naar oplossingen die een maximale groep dienen zonder anderen te schaden? Vandaag kijkt de zeventig procent met lede ogen toe hoe de dertig procent wordt bediend. We staan machteloos.

Het wordt de hoogste tijd dat die zeventig procent instrumenten in handen krijgt om die antipolitiek af te straffen. Een mogelijke oplossing is de ‘antistem’ of ‘tegenstem’. Dat zou inhouden dat je in het stemhokje moet kiezen: een stem voor een persoon of een partij of een stem tegen een persoon of een partij, die dan een stem wordt afgetrokken. Vaak weten burgers niet meer voor wie ze moeten kiezen, maar weten ze heel scherp waar ze absoluut tegen zijn (niet die naïevelingen!, niet die fanatiekelingen!, niet die racisten!,…). Geef hen de kans om te zeggen: dit is een no passaràn.

Ik wil niet stigmatiseren, het voorbeeld is lukraak, maar geef burgers de kans om vandaag Jan Jambon duidelijk te maken dat ze de samenleving die hij voorstaat niet onderschrijven. Zorg dat ze dat niet meer onzichtbaar hoeven te doen, via stemmen voor alle mogelijke andere politici en partijen. In verspreide slagorde bereik je niets.

Een negatieve stem kan dan een stem worden voor een positieve politiek. Een stem voor politici die zich niet permanent op de borst kloppen voor het ‘lef’ om dingen te benoemen ‘die iedereen vindt, maar niemand durft zeggen’ (dat zullen we dan nog wel eens zien). Een stem voor politici die het collectief belang omarmen.

Het saldo aan stemmen minus tegenstemmen wordt dan een graadmeter voor het politiek niveau. Als we dan ook eens de stemplicht afschaffen, krijgt de politiek eindelijk een spiegel voor. Misschien kweken we dan weer staatsmannen in plaats van macho’s. Of komen vrouwen aan de macht.

Behandeld als grote mensen

vrijheid

Het is ik-weet-niet-hoe-lang geleden. Maar vandaag, 7 april 2016, had ik nog eens het gevoel in dit land als grote mens te worden behandeld, als volwassen vent die zijn eigen keuzes kan maken. Minister van Werk Kris Peeters (CD&V) komt met een uitgewerkt voorstel om de 38-urenweek af te schaffen en om overuren cash uit te laten betalen. Stel je voor dat we voortaan nu eens echt tot 45 uur per week kunnen werken (waarom zelfs niet meer?) zonder dat een vakbond ons handje komt vasthouden – of moeten we zeggen: ‘komt strelen’? – en in onze plaats weet te orakelen dat dat niet goed is voor ons welzijn en we een burn-out gaan krijgen. Beeld je in dat ons geen Daens-complex meer wordt aangepraat omdat we toevallig goesting hebben om voor onze boeiende job een tandje bij te steken, om een collega en chef gelukkig te maken en klanten tevreden te stellen. Dat eens simpelweg aanvaard wordt dat wij kicken op eens goed doorvlammen en uren kloppen en dat wij ons met plezier laten ringeloren door die sluwe snoodaards van het patronaat. Met onze knieën op een meetlat slagersvloeren schrobben, onder de dreiging van nare lederen zweepjes. En de chauffage die te laag staat. Kom maar af, spank me! And show me the money.

Met dat geld neem ik op kalme weken een citytrip en drink in the late night bar een cocktail op de gezondheid van alle stervelingen die zogezegd hun rechten niet hebben kunnen verdedigen en aan wie ik mijn midweekvakantie te danken heb. Hoe mooi zou dat zijn? Eindelijk gerechtigheid voor de zelfdenkende, mondige burger, eindelijk tot wasdom verwelkomd. Avondlijk thuiswerk dan toch eens gewoon wettelijk verzekerd voor het geval ik met mijn oog op mijn balpen in slaap val.  Eindelijk bevrijd van schavuiten die hun fans tellen en zonder te checken poneren de rechten te verdedigen van ook al wie niét als angsthaas lidgeld betaalt voor een club die ons tegen wie-weet-ooit-eens-welk ontslag of verlies van verlof op Pinkstermaandag wil beschermen. Wat zou dat goed voelen!

Mijn verbeelding was nog maar net geprikkeld door de heer Peeters, of ik werd zot van glorie door een voorstel van Jong Groen. Die frisse knapen willen mij de kans bieden om een paar goede vrienden gelijk te stellen met erfgenamen in de tweede graad (mijn broer of zus dus). Ronduit fantastisch is dat. Naar hun plan kunnen een vriend en ik dan erfgenaam van elkaar worden en verlof krijgen voor elkaars huwelijksfeest of begrafenis. Doe maar eens heel zot en tel de voorstellen van Kris Peeters en Jong Groen op. Dat zou betekenen dat wij zeggenschap krijgen over werk en vrienden, over wat we de hele dag uitvreten dus en over wie we graag zien. Dat kan toch bijna niet de bedoeling zijn van politiek? Ik die dacht dat ons uitspreken over een brug over ’t Scheld of over een vrijhandelsakkoord met Oekraïne het maximaal haalbare was. Neen, hoor.

Het voorstel van de jonggroenen komt er allicht nooit in de bonusvorm waarin ze het zelf voorstellen en dat zou ook niet goed zijn. Nog wat meer verlof kunnen onze bedrijven niet aan, me dunkt, ‘de concurrentiekloof met de ons omringende landen’, je weet wel. Maar gooi dit prachtige kind niet met het badwater weg en laat mensen kiezen: familie of vrienden. Een oude broer die je talent en speelgoedautootjes achttien jaar wist te kraken, op diens begrafenis hoef je niet te zijn. Het geld van je vader die je even lang misbruikte, hoef je niet te hebben. Geef mensen munitie om zich daarvan te verlossen, zorg dat ze hun verlofdagen en erfenissen zelf moeten kiezen – ruil een familielid voor een vriend – en doe hen loswrikken van de ketens die hen al een volwassen leven lang omknellen. Beloon de vrienden die hun waarden delen, die je met wodka en woorden door je donkerste uren hebben gesleurd, daar in dat putje van de nacht. Het voorstel van Jong Groen kan helend zijn voor hele generaties.

Het sprankelende idee van deze vrije denkers leidde mijn gedachten ook af naar de begrafenis, jaren geleden, van een vriend. Pas een week nadat het uit was met zijn liefje, kwam hij tragisch om het leven. Dat meisje had jarenlang de diepste intimiteit met hem gedeeld, maar liep nu alleen in de begrafenisstoet, ver achter de broers en zussen die elkaar stutten en zonder een arm om haar heen. Want het was toch ‘uit’, dus viel de jongedame ook uit de familie, die altijd voorop loopt. Je reinste eenzaamheid, opgedrongen door kaders en rituelen.

Ironisch genoeg zullen Kris Peeters en Jong Groen nooit elkaars ontketenende plannen verdedigen. Ik zie de groenen niet meteen een voorstel steunen dat werkgevers ademruimte geeft en vakbonden enigszins kan verontrusten. Daarvoor schurken ze te dicht tegen de socialisten aan en zien ze te weinig in dat ze eigenlijk een modern, hoogopgeleid en kritisch kiespubliek dienen dat beslist voor zichzelf weet te zorgen, vooral voor de staat naar Brussel treint en alles wat staking heet fors beu is. Evenmin zie ik de christendemocraten plots gewillig de hoeksteen van de samenleving onderuit halen en een dikke maat of een ex-lief waarmee je nog knuffelt, met je moeder gelijkstellen.

Toch dienen beide partijen met deze voorstellen dezelfde burgers. Zij die willen gaan waar ze willen en staan waarvoor ze staan. Zij die bewuste keuzes maken, wars van tradities. Zij die naar eigen wens hun loopbaan willen vormgeven. Zij die geen paperassen willen invullen voor elk klein recht. Zij die van job zouden veranderen als hun fiets gratis op de trein kon. Zij die wel geld zien zitten in plaats van een bedrijfswagen. Geef ons politici die alles in het werk stellen om ons vrijheid in plaats van veiligheid te garanderen. Die alles geven om ons voor altijd gerust te laten.

Black

black

In Image en Black tonen regisseurs Bilall Fallah en Adil El Arbi de rauwe realiteit van Marokkaanse en Afrikaanse straatbendes in Brussel. Ze doen dat met schoonheid en empathie en brengen inzicht op twee vlakken. Eén: wie zich door de samenleving uitgesloten voelt, trekt zich terug in de eigen, verharde groep. Twee: die groep is soms vuil en lelijk en je raakt er heel moeilijk uit.

Stel: je zoon komt thuis en vertelt bang dat hij van zijn klasgenoten een pak rammel heeft gekregen. Ga je dan de feiten verdoezelen en zeggen dat ‘het best nog wel meevalt’? Neen, je neemt de feiten ernstig. In het beste geval probeert u wel het verhaal van die jongens te kennen en te begrijpen.

Eerlijkheid redt

Dat is exact wat Fallah en El Arbi doen. Ze tonen hoe door mechanismen van stigmatisering en uitsluiting – door de media, door de politie, door elkaar en door blanke Vlamingen – Marokkaanse en Afrikaanse jongeren hun hoop verliezen, op zichzelf en hun groep terugplooien en in de criminaliteit belanden. Ze wekken inzicht in daderschap en van daaruit empathie. Maar vooral tonen ze zonder enige verbloeming waartoe die daders (in casu: van andere origine) in staat zijn: ‘flamand’ als scheldwoord gebruiken, een pedoseksueel op klaarlichte dag in elkaar timmeren, in groep een agent te lijf gaan (Image), in groep ook jonge meisjes verkrachten (Black).

Ethnic profiling of etnische stigmatisering zou het Minderhedenforum dat noemen, om daarmee ook het probleem onder de mat te vegen. Dat wordt natuurlijk lastiger als die regisseurs zelf Marokkaanse Belgen zijn. Zij gaan met de werkelijkheid alvast minder verkrampt om. Langs hun harde aanpak bewijzen zij een grote dienst aan de Marokkaanse en Afrikaanse gemeenschap. Wie eerlijk is, mag ook zijn hele verhaal doen. Dan wordt er wel geluisterd.

Verstikking

Sommige kruisvaarders tegen racisme noemden Black stigmatiserend voor (vooral) de Afrikaanse en (ook) Marokkaanse gemeenschap. ‘Elke Marokkaan of Afrikaan wordt weer voorgesteld als een dief of verkrachter.’ Die veralgemening laat ik voor hun eigen rekening, sommige mensen zoeken met een bus olie in de hand naar een vuurtje.

Door Black als stigmatiserend weg te zetten, doen zij hoofdpersonages Mavela (Martha Canga Antonio) en Marwan (Aboubakr Bensaihi) en al wie zich met hen verbonden voelt, geweld aan. Zij zijn ook Congolese of Marokkaan, maar vooral slachtoffer van hun eigen omgeving. Marwan wil werk zoeken, zijn broer verslijt hem daarvoor als ‘flamand’. Mavela zoekt bescherming, veiligheid, erkenning, maar betaalt daarvoor de hoogste prijs. Ze moet vriendinnen verraden, zich aan mannen onderwerpen. Groepsdruk bestaat ook in kleinere vorm: in Image schaamt de stoere Nabil zich al te sterk om gitaar te durven spelen en een liedje te zingen.

Die nuance is de werkelijkheid die sommigen niet willen zien. Die sommigen verdedigen heel terecht de vele vrouwen en mannen die in vrijheid een hoofddoek dragen, cola boven alcohol verkiezen, zich kuis en monogaam gedragen. Zij vergeten het wel op te nemen voor de Marwans en Mavela’s, voor mannen en vrouwen die van onder hun hoofddoek willen losbreken, die alcohol willen drinken zonder zich bekeken te voelen, die in alle veiligheid hun niet-moslimlief aan hun ouders willen presenteren, die VRT-journalist willen worden zonder als verrader te worden versleten. Die noch in de ogen van de flamands, noch in die van de moslims ooit goed kunnen doen. Fallah en El Arbi hebben zich alvast van die beklemmingen verlost, keren zich nog even om en richten er hun camera’s op. Alleen in vrijheid tiert de artiest welig.

Schoonheid

Fallah en El Arbi kunnen zichzelf nog verbeteren. Ze leggen veel nuance in hun Marokkaanse en Afrikaanse hoofdrolspelers, maar maken in Image een cliché van de ‘sensatiepers’, al zit de bottomline van hun analyse wel juist. In Black is het scenario dan weer al te klassiek en voorspelbaar. Het Romeo & Juliette-verhaal wordt in de slotscène toch wel iets te apocalyptisch uitgewerkt.

Toch storen die euvels niet. In Image is de verpakking wat krakkemikkig, maar zit de boodschap juist en is het verhaal onderhoudend.

Ook in Black is het rasterwerk dus wat eenvoudig, maar wat zich daar binnenin afspeelt, is van een unieke schoonheid. Twee pubers die alleen te klein en te bang zijn om tegen de stroom in te gaan, die liefhebben in een kwade wereld. Ze spreken niet af in een bruine kroeg met sjieke kringloopsofa’s in de Dansaertstraat, maar in de Quick van het Noordstation. Ze drinken langs rietjes, maken grapjes en lachen breed, ze swipen op hun smartphone en hebben het over dingen waarover jongeren het hebben, over une casquette die al dan niet de la classe is. Hun tred, hun bewegingen, hun begroetingen, het zit allemaal juist. Er zijn Marokkaanse regisseurs nodig om dit zo naturel neer te leggen.

Adil El Arbi en Bilall Fallah leggen in hun eigen gemeenschap de vinger op de wonde, sleuren de blanke Vlaming met zijn neus door zijn vooroordelen en tonen hun talent. Politiek links en rechts horen hen dringend als spin doctors binnen te halen.