Het woord ‘racisme’ maakt ons potdoof voor elkaar

De term ‘racisme’ wordt in het maatschappelijk debat verkeerd gebruikt en dat heeft kwalijke gevolgen voor zowel witte mensen als mensen met een migratieachtergrond. Hij wordt even vlot in de mond genomen voor bewuste aanvallen, vernederingen, beledigingen, uitsluitingen en vooroordelen op basis van afkomst, als voor onbewuste stereotyperingen in kinderverhalen of sprookjes, in traditionele gebruiken, in misplaatste grappen, in gedateerde sitcoms. Vandaag gebruiken we één term voor al die situaties. We zeggen dus eigenlijk dat niet helemaal doorhebben wat er mis is aan zwartepiet even schandalig is als iemand een appartement weigeren om zijn huidskleur of roepen dat hij terug naar zijn eigen land moet.

De term ‘racisme’ wordt in het maatschappelijk debat verkeerd gebruikt en dat heeft kwalijke gevolgen voor zowel witte mensen als mensen met een migratieachtergrond. Hij wordt even vlot in de mond genomen voor bewuste aanvallen, vernederingen, beledigingen, uitsluitingen en vooroordelen op basis van afkomst, als voor onbewuste stereotyperingen in kinderverhalen of sprookjes, in traditionele gebruiken, in misplaatste grappen, in gedateerde sitcoms.

Vandaag gebruiken we één term voor al die situaties. We zeggen dus eigenlijk dat niet helemaal doorhebben wat er mis is aan zwartepiet even schandalig is als iemand een appartement weigeren om zijn huidskleur of roepen dat hij terug naar zijn eigen land moet.

Bewust neerkijken op een ander

Racisme is volgens Van Dale (1) ‘de opvatting dat mensen met een bepaalde huidskleur beter zouden zijn dan mensen met een andere kleur, gebruikt als rechtvaardiging om mensen met een andere kleur slecht te behandelen’, of (2) ‘discriminatie op grond van huidskleur’.

Racisme gaat dus om een opvatting, een actieve gedachte van de racist dat hij of zij zich meer mag voelen dan een andere mens, en/of om anderen bewust uitsluiten omdat ze er anders uitzien. Een racist is volgens Van Dale dus iemand die heel bewust op een ander neerkijkt of een ander uitsluit.

Het is een kwalijke zaak dat onbewuste processen die voortvloeien uit een witte cultuur waarin mensen opgroeien gelijk worden gesteld aan de actieve gedachte dat een ander minderwaardig is. Clichés in je hoofd hebben, maakt je nog geen slechte mens. Niet helemaal door hebben dat het beeld van zwartepiet of een standbeeld van Leopold II kleinerend is bijvoorbeeld, maakt je niet plots inherent slecht. Daarvoor toch als racist worden versleten, is pijnlijk en beledigend, er wordt een oordeel geveld over hoe je bewust over een ander zou denken en voelen. Zo’n beschuldiging hakt er stevig in en ze wordt maar beter niet te lichtzinnig gemaakt. 

In kampen gedreven

Ze is ook extreem contraproductief. De witte mens die door een onbekende wordt beschuldigd van hoe hij zou denken of voelen, duwt heel begrijpelijk die beschuldiging radicaal terug. Jammer genoeg worden met dat actief terugduwen van de beschuldiging ook alle terechte bekommernissen van mensen met een migratieachtergrond weer niet gehoord.

Zij blijven onbegrepen achter en worden alleen nog bozer of verdrietiger en ik krijg meer en meer de indruk dat zij van de weeromstuit het voor zichzelf daarop nog erger maken. De boze, beledigde blanke Vlaming luistert niet meer, dus voelen zij de nood aan een nieuw rondje van dezelfde faliekante aanpak. Ze wijzen op de nefaste gevolgen van dagelijkse stereotypering, van tot vervelens toe aangesproken worden in het Frans of al te toegankelijk Nederlands, van verbaasde blanke blikken als ze ergens met hun Audi A4 arriveren, van ongepaste strelingen over hun kroezelhaar, en noemen dit alles racisme, omdat ze duidelijk willen maken dat dit ernstig is en hen dagelijks kleineert (wat het ook doet). ‘Racisme’ is de caps lock en het uitroepteken van de boze mail. Niemand luistert nog, iedereen vindt je vervelend en fanatiek.

Racisme is de caps lock en het uitroepteken van de boze mail. Niemand luistert nog, iedereen vindt je vervelend en fanatiek.

Dat je je met de meest beschaafde bedoelingen toch altijd vastrijdt met de term racisme, bewijst voor mij de column van Anouk Torbeyns in De Standaard. Ze schrijft: ‘Er is ook een sluimerende vorm van racisme, die eveneens gebaseerd is op diepgewortelde stereotiepe denkbeelden in de brede samenleving. Daar ontsnapt niemand aan. (…) Niemand wil van zichzelf zeggen dat ie racistisch is. We vinden het moreel verwerpelijk, dus geven we niet graag toe dat we met vooroordelen kampen.’

Torbeyns doet haar uitdrukkelijke best om niemand te beledigen, maar haar woordkeuze ‘racisme’ doet dat vanzelf, je kunt er niet rondfietsen. Het is uiteraard noodzakelijk om naar onze stereotypering te kijken, het is onze burgerlijke plicht om een betere persoon te worden voor anderen. Maar die stereotiepe denkbeelden maken van ons nog geen mensen die bij helderheid van geest stellen dat ze meer zijn dan een ander.

Raciaal denken als nieuwe term

Op wat Anouk Torbeyns de ‘sluimerende vormen’ van racisme noemt, hebben we dankzij de superdiverse samenleving meer en meer zicht gekregen, de oogkleppen vallen bij beetjes af. Maar de terminologie is niet mee geëvolueerd. Er ligt een heel veld open voor een term die alle vormen van clichédenken en vooroordelen benoemt die terug te brengen zijn op culturele denkbeelden, op angsten eventueel, maar die niet vanuit boosaardigheid of meerwaardigheid vertrekken.

Stereotiepe denkbeelden maken van ons nog geen mensen die bij helderheid van geest stellen dat ze meer zijn dan een ander. 

Door al wat kwetsend is en mensen stigmatiseert maar niet kwaad bedoeld is een naam te geven en van het racisme af te scheiden, kunnen we rond de tafel blijven zitten. Niemand hoeft zich beledigd te voelen en een grote groep kan in alle rust eindelijk de erkenning krijgen voor de onschuldig bedoelde, niet eens bewuste, maar o zo ondermijnende stigmatisering waaronder hij dagelijks gebukt gaat. Iedereen kan eens gaan kijken in hoeverre hij zich aan raciaal denken bezondigt en wat hij daar zelf aan kan doen of hoe het is gekomen – zonder dat iemand in zijn plek de antwoorden daarop geeft. Los dus van de beschuldiging, los van de zelfkastijding. Van verwijten is nog nooit iemand in beweging gekomen. Gaan we een schuldige aanduiden of zoeken we samen naar een uitweg?

Black Lives Matter. Can we stick to the subject?

Amerika en de hele wereld staan in brand. Black Lives Matter spat van de straatstenen, woede komt verwoestend naar buiten, verdrukte stemmen schreeuwen zich schor, ze krijgen eindelijk een venster van aandacht.

En dan zijn er altijd mensen die zeggen: “alle levens doen ertoe”. En eraan toevoegen: “In Zuid-Afrika worden er nu ook blanken vermoord, hoor. En in Turkije en het Midden-Oosten christenen. Als je het over racisme wil hebben, moet je daar ook over praten.”

Theorie alleen is niet genoeg

Gaan we uit van de goeie bedoelingen van deze mensen, dan kunnen we stellen dat ze streven naar een objectieve benadering. Ze waarschuwen voor tunnelvisie, wijzen erop dat racisme zich in alle gedaanten kan manifesteren en dat niet alleen zwarten gediscrimineerd worden – en zij zich dus niet slechter behandeld hoeven te voelen en het thema eigenlijk niet mogen opeisen.

De moeilijkheid om met deze mensen in discussie te treden ligt erin dat ze puur theoretisch gelijk hebben en vaak ook puur theoretisch denken. Maar ‘gelijk hebben’ zit niet alleen in ratio en feiten op papier. We zijn daar in het westen wel geweldig mee opgegroeid, maar er spelen ook andere factoren in ‘gelijk hebben’ of ‘gelijk krijgen’. Ook het gewicht en de timing van je inbreng tellen mee.

Over het ‘gewicht’ denk ik dat die inbreng in deze kwestie te licht weegt. Natuurlijk zijn er overal ter wereld vormen van racisme, in vele gedaanten. Maar het racisme naar zwarten is toch duidelijk een wereldwijd probleem dat zijn historische wortels kent in kolonialisme en slavernij en in die zin zo hardnekkig blijft voortleven. De beeldvorming over de zwarte als minderwaardige dienaar of ‘wilde’ die gecultiveerd moet worden, is er bij witte mensen jaar en dag ingepompt, om kolonisering en slavenhandel te vergoelijken of propaganderen. En dat kent in onze hoofden zijn uitlopers tot vandaag. Het gaat om een structureel en systemisch probleem op wereldvlak. Dus lijkt me een grote focus op Black Lives Matter niet meer dan terecht, want hier is enorm veel werk te verrichten, nog altijd en over zowat de hele wereld.

Daarnaast is er de timing van deze ‘all lives matter’-opmerkingen en dan stappen we het domein van de empathie binnen. Op dit moment de Black Lives Matter-protesten gaan relativeren door het over andere minderheidsgroepen op bepaalde plekken in de wereld te gaan hebben, is op zijn zachtst gezegd ongelukkig te noemen. En scherper gesteld is het vooral kwetsend.

En ook nu moet je zwijgen?

Het geeft zwarte mensen vooral het gevoel dat ze ook nu weer moeten zwijgen. Ze zaten met aanhangers samen rond één hypergeconcentreerd en ijzersterk debat, rond één kaars, zeg maar, en dan komt er iemand extern de neonlampen aanfloepen, ‘om het debat breed te houden’. Maar het debat moet niet opengetrokken worden, want nu gaat het over Black Lives Matter en dat mag en moet er zijn.

Bij dat kaarslicht valt genoeg te ventileren en te delen over racisme, discriminatie en politiegeweld. Er kunnen tegenargumenten of verzachtende verklaringen worden aangebracht, dat wel, maar dan wel binnen dit thema. Denk aan stedelijke criminaliteit in bepaalde wijken en de nood aan orde en gezag, de angst van het politiekorps en Trump die de gemoederen verhit. In dit gefocust debat mag ook herinnerd worden aan knielende agenten – het zijn niet allemaal racisten. Er wordt ook gepraat over hoe breed, verborgen en geniepig racisme zich vertoont: in minder job- en opleidingskansen, in gesmoorde stemmen, in zwarte professoren die door kranten niet voor hun dossierkennis worden opgebeld, maar wel eenmalig voor hun verhaal over racisme – voor in de Black Lives Matter-weekendbijlage. Het gesprek bij kaarslicht gaat over verdachtmakingen, over aangesproken worden in kreupel Frans, over wat een schattig kroezelhaar gij wel niet hebt, over zogezegde complimenten dat ge toch wel goed op tijd zijt voor een Afrikaan, over uw anders zijn de hele godganse dag.

Laat deze mensen zich uitspreken en luister nu eerst naar wat ze zeggen, alvorens er andere zaken bij te sleuren. Het is mensonterend om net op zulk kwetsbaar moment, na de dood van Georg Floyd, te moeten horen dat je alles ook een beetje moet relativeren. En zeker als dat opgelegd wordt vanuit een vergelijking die maar half steek houdt, er slechts in de verte mee te maken heeft.

In volle redevoering, in het midden van je emotioneel betoog, word je abrupt afgebroken door een manke vergelijking, een niet ter zake doend en ver verhaal uit Syrië. Weg sfeer, weg erkenning. Je toont je een groots debater met gevoel voor rede en zeker geen ‘woedende neger’, dus je vermant je en slaat instant aan het googelen: ‘wat zijn koptische christenen?’. Je duwt je tranen terug, je slikt je pijn door.

In jogging naar de nachtwinkel en langs de kapper naar huis: dit wordt voor iedereen wennen

Beste vrienden,

Het zijn coronatijden, het wordt voor jullie allen wat aanpassen. À la guerre comme à la guerre. Om de nieuwe coronamaatregelen te omzeilen, zal ik er namelijk wat raar bij lopen. Ik wil jullie niet bruuskeren, maar reken toch op wat visuele vervuiling als je me de komende drie weken tegenkomt.  

Ik zal namelijk permanent rondlopen op loopschoenen en in die ene jogging die ik heb. Zo kennen jullie mij niet en dat kan in het begin moeilijk aanvoelen, maar het is al joggend dat ik van premier Wilmès nog mag buitenkomen, dus wees ook gewoon een beetje blij dat dit nog kan. Als we samen zijn, zal het hijgend zijn en met een lijfgeur, maar het zal zijn. Ik sta uitgeput maar innig aan jullie stoep.

Ik weet dat ik veel van jullie vraag, maar we moeten hier samen door. Ik hoop in onze vriendenkring hiervoor een draagvlak te vinden, maar beloof dat dag op dag te evalueren. Ik zal die stappen slechts doorzetten als jullie mee zijn. Wie het in tussentijd hiermee moeilijk heeft, kan terecht bij de opvang in de Steinerschool om hier op zijn eigen ritme mee om te gaan. Tenminste als jullie ouders zelf in geen opvang kunnen voorzien of actief zijn in de zorgsector.  

Weet: dit alles heeft best mooie kanten. Tegenover een flik die niet in mijn intervaltraining gelooft, zal ik je een vriend in nood noemen. Ik zal zeggen dat ik voor jou op weg ben naar de winkel. En ik maak dat voor jou ook waar: ik ga tegen tienen in de wachtrij voor de nachtwinkel staan en breng je een fles tequila en tortillachips mee. We zullen wel binnen moeten zitten want er is een samenscholingsverbod, maar met je ramen op kip valt dat reuze mee en bouwen we alsnog een feestje.

Nachtelijk joggen, daar lachen ze niet mee, dus moet ik blijven slapen. Ben je geen man: in hetzelfde bed, geloofwaardig essentieel. En laat het dan hartstochtelijk zijn. Lig ik er ’s morgens in jouw armen verslonst bij, naast kruimels croissant, mijn haar in de war? Er is geen nood. Joke, Joke, ik trek mijn joggingbroekje aan en loop naar de kapper, want dat blijft perfect legaal. In weken waarin het aankomt op leven en dood, weet onze regering dat je haar goed moet liggen. Als we sterven, dan in stijl.

Wel kom ik mogelijk verminkt uit het kapsalon. Bij fysiek contact met name, moet mijn kapper anderhalve meter afstand houden en met zijn handen van mijn gezicht en mijn haar blijven, dus vooroverbuigend, in een poging toch mijn haar te knippen, zou hij zijn evenwicht kunnen verliezen en mijn oog kunnen uitsteken. Ik vraag veel van je, maar ik weet dat je dit trotseren kan, vriendin, tegen dan toch mijn lief. Ook als eenoog hou ik van jou.

Ik zal terugkomen. Op donkere dagen haal ik je op met de wagen en gaan we samen tanken, want ook dat mag gelukkig nog. Logisch: hoe ga je zonder auto naar de winkel en de bank? En naar de post, voor essentiële postzegels?

Ik weet het, het worden vreemde tijden en je zult mij anders leren kennen. Maar we blijven elkaar zien, en ook intiemer en beter, in het aanschijn van de dood. Kan je dat ook zien? We blijven gewoon samen en het zal ons niets kosten. Boetes die een agent niet mag geven, zal ik niet spontaan betalen, ik beloof het je.

Kan jij me dan beloven dat je kan geloven dat niets echt anders zal zijn?

Liefs,

Johan  

Gij ziet er zo gemiddeld uit

Mijnheer Jambon, uw gezicht ziet zo grauw. Gij slaapt al lang bij de doorsnee Vlaming, ge begint d’r grijs uit te zien. Van den hond zijn vlooien. Uw tronie vertoont nog weinig branie, lijkt door fijn stof verteerd, uw subsidies hebt ge naar uw beeltenis geregisseerd. Wie gemiddeld is, krijgt centen, u volgt de voorkeur van de mediaan en hoeft maar in de spiegel te kijken.

Het wordt tijd dat u excelleert. Gij kijkt knorrig en alles wat gij bromt, klinkt mij vreemd. Geregeld gorgelen gemene klanken uit uw mond en wie u onderbreekt, ‘heeft niks te bepalen’. Gij zit verstikt in uw wereld, gij mist goei verhalen, warme vrienden bij de openhaard. Het gaat niet goed met u, gij zijt kwaad.

Ik zat te denken: gij moet meer buitenkomen. Neen, niet langs uw garage de auto in, naar uw kabinet en zijn parking ondergronds. Dat bedoel ik niet. ‘k Dacht meer aan een herfstwandeling, zuurstof happen, mensen zien. Of de tram nemen, bijleren, in steden standaardafwijkingen observeren, volk zien dat ge niet kent. De twijfel van moeders voelen aan defecte infoborden: gaan we te voet of wachten we op de bus? Geraakt de buggy op de tram? Voor dié jan en alleman moet gij oplossingen bedenken, empathie voelen, in twee donker ogen kijken. Ik ben zeker: het haalt uw hart uit een kramp. En komt er al damp uit uw oren bij die gedachte, ik zeg u: het zal u verzachten. Ik verklaar u beslist: onze miserie doet u deugd, het is exact wat gij nu mist: ons echt zien en terug iets voelen in uw lijf, dat oorlogsmachien. Straks weet gij niet meer wat gij wist en niet meer wat gij dacht. Wij zijn braaf en zàcht. Straks voelt gij u niet meer misdeeld, in een mum van tijd hebt gij hier uit geleerd.

Begin bijvoorbeeld bij mij. Ik vraag u: neem mij niet mijn hobby’s af, mijn concertjes, mijn avondjes Rataplan. In ben niks met u van plan. Ik ben ongevaarlijk, onschadelijk links. Ik kan u niet pakken, ik heb er de moed niet voor, ik krijg u nooit ingehaald. Mijn trein is te traag, stadsdiensten hebben mijn fiets van een paal gehaald, niemand kan zeggen waar hij staat, online is hij ergens tussen bureaucratische plooien verdwaald. Al een maand stap ik te voet van het station, kom thuis rond achten, da’s laat om nog te koken – als daar nog de afwas staat. Droog beddengoed hangt schouders laag tussen vier stoelen, het ruikt naar bolognaisesaus. Ik zet me neer, ik zucht, ik vlucht online. Bots op hard nieuws, uw botte tweet. En ik lees. Mijn tram zal minder rijden, mijn lucht nog meer vervuilen, mijn avondje cultuur moet nu in dogma’s passen en zonder ik het weet, zijn mijn buren me aan ‘t ontvolken. Het is tijd voor revolte. Maar ik mis de kracht, een Tinder-date heeft mij ontmatcht. Ik zal het allemaal maar laten.

Ook niet alles is uw schuld, mijn laatste lief heb ik zélf verlaten. Uren heb ik er over zitten praten, met trappist. Met dat mens was toch echt iets mis? Daar zijn we ‘t over eens. Wilde ik zo hard dat ik de tekenen niet zag? Was ze manipulatief, heb ik me laten doen? ‘Tot aan ons pensioen willen wij er met u over praten’, zeggen mijn maten, ‘maar dan alleen als gij uw aandeel hierin ziet. Gij zijt ni verniet, gedraag u ernaar, gaat staan. Met al die empathie, graaft gij uw eigen graf.’

We zakken af naar het theater, te voet en met de fiets – terwijl je er kan parkeren. Wij voelen ons zeker beter? Hoe elitair zijn wij wel niet? Ge wilt het zelfs niet weten: we kijken naar een monoloog, de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste artist. Maar mag het even? Daarvan moogt ge mij niet beroven. Hoe kan ik ooit geloven wat hij zegt als geen draad uit hemzelf vertrekt, als hij ‘speelt’ in plaats van ‘is’, als hij acteert naar gemiddeld publiek, noch vlees, noch vis?

Die gast was dertig, maar echt goed – hij gaat nu rond met den hoed. Hij had talent en lef. Hij toonde me zijn demonen, dat kwam recht mijne living in. Zijn lelijkheid was de mijne, hij deed me draaien op mijn stoel, hij hielp mij over een punt. Ik zat ineens naar binnen te kijken, dat was geen fraai gezicht. ‘k Zag flarden van mezelf, van haar, van hoe ik hautain zelfkritisch was en daarvoor erkenning wilde.

Ik ben erdoor – nu – die man hield mij een spiegel voor. Gelukkig zat hij niet naar schoonheid te streven. Daar heb ik me al genoeg op verkeken. The girl with the pearl earring? Die is altijd schoon, daar kunt ge eeuwen naar staren. Zo’n moordmachine? Daar hoef ik geen dubbele bodems in te zien. Maar weet ze me ook te raken, in het diepste van mijn ziel? Weet ze de couche eraf te schrapen? Die zit daar al een jaar of tien.     

Schoonheid, daarvan hebben we genoeg en we hebben er genoeg van. Reclame, tv, ik kijk er niet meer naar. Tot nader order, geen digicorder, en dat om nog een andere reden: wij moeten altijd excelleren. Het moet glitteren en blinken en indruk maken. Niet meer gaan voor een droom: chroom. Niet gewoon mogen wij kijken naar wat iemand doet, luisteren naar wat iemand vertelt, maar altijd moeten we elkaar de loef afsteken. Elkaar eraf rijden, tot in de finale. Belgium’s got Talent, Met Vier in Bed, de chiqueste wagen, huizen jagen.  

Ik pas voor het presteren, ga in een kroeg mijn vrienden eren. Ik ga, denk ik, om ter kleinste leven. In de kleinste zaal twee kaarsen branden, me er openbreken, de kleinste kuub in mij ontvouwen. En laten zien, aan warme vrouwen. Samen sneuvelen in de eerste ronde.  

We hebben niet door hoe fout we zijn

fabreWe zien niet meer wat seksistisch is. Zo ver zit seksisme in onze samenleving ingebakken. De voorbeelden zijn te talrijk en te verpletterend. Ik heb het niet over Harvey Weinstein, Bart De Pauw of Jan Fabre. Zij zijn niet meer dan de uitwassen van een collectief verwrongen beeld op (vooral) vrouwen en seksualiteit. De breedte van die systeemfout meet je niet door daders te tellen, wel door kranten te lezen. Het zit ‘em in opinies en redactiekeuzes.

Schijndebat

We zijn nog maar dag 0 waarop 20 dansers en danseressen (8 uit eigen naam, 12 anoniem) in een open brief een zeer pijnlijk boekje open doen over het gedrag van Jan Fabre op en naast de set van zijn theatergezelschap en de eerste getuige die het allemaal komt relativeren, staat al in de krant. We hebben te maken met slachtoffers sinds 1998, waarvan een aantal in therapie zijn gegaan. Zij hebben er mogelijk jaren over gedaan om naar buiten te durven treden en na een halve dag vindt een redactie het nodig om Geert Kimpen, een collega-danser die ‘enkele maanden’ onder Jan Fabre heeft gewerkt, op te voeren als een soort objectieve getuige, een tegengewicht, zeg maar, die komt insinueren dat het allemaal wel meeviel. Op redacties heet dat woord en tegenwoord: een danser die niet werd misbruikt versus dansers die wel werden misbruikt. Mensen die Fabre aanvallen versus iemand die hem verdedigt. Als dat geen eerlijk debat is!

Het is zo oneerlijk als de pest. Een oprecht tegenwoord zou komen van een danser(es) die helemaal hetzelfde heeft meegemaakt onder Fabre en dus weet waarover hij of zij het heeft en vanuit die gekwetste positie een aantal kanttekeningen aanbrengt en clementie vraagt voor Fabre (werkdruk, lichamelijk contact op de set, ‘het beste in de artiest naar boven halen’, enzovoort). Dàt is een eerlijk duel, maar zo’n getuige vonden ze niet en, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid: die bestaat niet. Dan maar gewoon een danser, dat komt toch al in de buurt?

Het is eigenlijk nog erger. Het werd een danser die eens één keer op de set iets meemaakte dat uiteindelijk wel meeviel en zo de eigen ervaringen van slachtoffers banaliseert. Schijndebat in het kwadraat. Geert Kimpen had Jan Fabre tegen zijn tegenspeelster wel eens horen zeggen ‘dat ze tegen hem op moest rijden tot hij een erectie kreeg’. De actrice had de tranen in de ogen, getuigt Geert Kimpen, en nam die avond ontslag. Kimpen vond het erg, maar tilt er niet al te zwaar aan (zie verder).

Die ene ervaring geeft hem in de krant en bij het lezerspubliek wel opnieuw een onterechte status van objectieve getuige die komt zeggen dat het allemaal wel meevalt met dat seksisme, terwijl deze ervaring gewoon zijn ervaring is en niets afdoet aan wat anderen hebben gevoeld. Het is als tegen je kind zeggen: ‘neen, die spruitjes zijn wel lekker’, gewoon omdat jij ze lekker vindt. Je eigen ervaring als norm nemen in de ervaring van seksueel misbruik van een ander, is onnoemelijk kwalijk. Een krant hoort daar niet aan bij te dragen. Toch zeker niet zonder commentaar of kritische vraag en ook niet op dag nul. De ruimte en de timing die Kimpen in de pers krijgt, is disproportioneel.

Bovendien is de ervaring van de tegenspeelster van Kimpen – hoe erg op zich ook – slechts een enkel en mogelijk lichter feit (al laat ik haar daarover oordelen) vergeleken bij de waslijst aan bezwarende feiten in de open brief: slachtoffers-dansers die geld kregen geboden voor seks, solovoorstellingen op hun buik konden schrijven als ze weigerden en dan vernederingen moesten ondergaan. En het is niet eens zij die in deze opinie spreekt, maar Kimpen zelf – een vrolijke koorknaap die zijn loopbaan naar eigen zeggen aan Jan Fabre heeft te danken. Is dat een journalistiek evenwicht?

Ik verwijt Geert Kimpen niets, want hij heeft de moed om een mening te uiten waarmee hij zich niet populair maakt en dit ter bescherming van zijn leermeester. Alleen daarom chapeau, en ook alleen daarom.

Verschillende kranten zouden voor een eerlijk debat moeten kiezen en Geert Kimpen tegen zichzelf en de samenleving moeten beschermen, maar laten dat na en voeden verwrongen denkbeelden in al onzer hoofden. Het doet denken aan de VRT die in Terzake Dries Van Langenhove opvoerde om het over transgenders te hebben, in een debat met Petra De Sutter, tegelijk chirurg en ervaringsdeskundige binnen dat terrein. Ook hij werd niet door kennis van zaken gehinderd en “kende wel wat transgenders die spijt hadden van hun operatie”. Het debat werd een pijnlijke beleving voor vele transgenders. Hetzelfde ervaren slachtoffers van seksueel misbruik ongetwijfeld met de passage van Geert Kimpen, die met eenzelfde deontologische laksheid werd gecast, op een heel verkeerd moment bovendien. Als er maar een debatje van komt, dan is het al lang goed.

Verwrongen denken

Het hele taalgebruik en de ideeën van Geert Kimpen duiden op een verwrongen beeld op vrouw, man en seksualiteit, op onderlinge verhoudingen tussen mensen, een mensbeeld dat vooral vrouwen overal om zich heen ervaren. Het is des te pijnlijker omdat Kimpen zelfs echt een poging doet, althans in zijn hoofd, om de zaken objectief te bekijken, maar zelfs bij verhoogde hersenactiviteit niet door heeft hoe fout zijn denken zit. Hij beseft zelfs dat hij bevooroordeeld is, maar dat besef helpt hem niet de zaken menselijk juist te bekijken.

Zijn eigen reactie op het voorval met (of zonder eigenlijk) de erectie is veelzeggend: “Ook mijn lichaam werd voor iets ingezet dat ik niet wilde en intimiderend vond. Maar we waren in een professionele context, omringd door anderen, hadden de vrijheid, als we voldoende assertief waren, om ‘nee’ te zeggen, en we hadden ons vrijwillig beschikbaar gesteld voor zijn extreme voorstelling.” Dus in een professionele context is misbruik oké en als je er niets tegen durft in te brengen, heb je het aan jezelf te wijten. Kimpen, en heel veel mensen met hem, nemen de daden van de dader als normaal voorkomend gedrag aan waarop het slachtoffer dan maar neen had moeten zeggen.

“Wat het een #metoo-moment? Ik weet het niet”, zegt hij nog. Het antwoord is eenvoudig: je tegenspeelster nam ontslag. Haar ervaring is de enige norm en al de rest telt niet. Maar neen, Kimpen spreekt liever over dansers die “zich al dan niet terecht gekwetst voelen”. Hoe iemand zich voelt, is hoe iemand zich voelt. Een gevoel kan nooit onterecht zijn.

En lees ook tussen de lijnen: ‘ik was er oké mee, dus dan is het oké’. Mensen nemen hun eigen pijngrens als de norm voor anderen.

Verderop schrijft Kimpen: “Een Fabre-acteur weet dat hij het uiterste van zichzelf zal moeten geven en moeten laten zien. Dat levert ook adembenemend theater op. Maar het is volgens mij geen #MeToo. Fabre vergrijpt zich niet aan je tijdens de repetities. Hij zit niet aan je en vraagt ook niet aan hem te zitten.” Dus pas als Fabre je bepotelt, is er sprake van seksueel overschrijdend gedrag? Bekijk ook de nood van Kimpen om de zaken te rationaliseren: “het is volgens mij geen #metoo”. Nog eens: het is niet aan jou om daarover te oordelen. Als iemand te ver is gegaan, is hij of zij te ver gegaan en als je onbewust een grens overschrijdt, dan vind je dat normaal gezien erg en bied je uitvoerig je excuses aan. Dat is de normale gang van zaken.

Kimpen verliest in zijn drang naar nuance helemaal de pedalen als hij zelf een voorbeeld aanbrengt dat moet bewijzen dat Jan Fabre wel hard was maar niet grensoverschrijdend. Kimpen was een keer in zwembroek gaan zonnebaden en verbrand geraakt terwijl hij de komende dagen een naaktperformance had. Fabre was razend geworden en had geroepen dat hij zijn piemel en zijn billen de komende dagen dan ook maar moest verbranden, anders leek het op het podium alsof hij een short aan had. Kimpen besluit dat dit niet seksueel overschrijdend was en daar kan ik helemaal in komen. Maar waar komt de behoefte vandaan om van daders een aantal momenten op te noemen die niet seksistisch waren. Wat doet dat ter zake? Omdat zijn gedrag niet altijd rampzalig was, is het allemaal oké? Dat heet niet nuancering, zoals De Standaard de bijdrage aankondigt, het is plat relativeren.

Fabre wordt in het stuk ook geëxcuseerd want hij “is geen heilige” (seksuele intimidatie is niet hetzelfde als een pint te veel drinken, Geert). En dan de dooddoener bij uitstek: “het past niet in deze #metoo-tijden”. Er zijn nog altijd miljoenen mannen (en iets minder vrouwen) die grensoverschrijdend gedrag de norm vinden en ‘overgevoeligheid’ als het nieuwste modeverschijnsel beschouwen dat wel weer zal overgaan. Een forum bieden aan mensen met deze redeneringen doe je niet lichtzinnig.

 

De MIVB wil maatschappelijk verantwoord ondernemen. Mag het even?

MIVBRedouane Ahrouch, voorzitter van de omstreden partij Islam en tevens buschauffeur in Brussel, werd door de MIVB ontslagen omdat hij publiekelijk pleitte voor verplicht gescheiden vervoer van mannen en vrouwen op de bus. Dat ontslag is voor mij de enige piste die de MIVB kon bewandelen.

Jogchum Vrielink, professor discriminatierecht aan de Université Saint-Louis – Bruxelles en vaste opiniemaker bij De Morgen, denkt daar anders over. En ook Groen-parlementslid Imade Annouri stelt op Facebook: “Ik vind de ideeën van Ahrouch compleet idioot en zal die met elke vezel ideologisch en politiek bestrijden. Maar iemand ontslaan louter en alleen voor zijn mening gaat net in tegen exact die normen en waarden die ik met elke vezel wil verdedigen.”

Vrielink en Annouri verdedigen de vrijemeningsuiting en zijn bevreesd voor de inmenging van de werkgever in het privéleven. De vrije mening is voor hen het hoogste goed. Maar de werkgever van Ahrouch lijdt wel imagoschado door hem in dienst te houden en dat mag je toch ook in overweging nemen.

Vrielink spreekt zich uit tegen “een ruimere ontwikkeling” waarin werkgevers mensen ontslaan wegens controversiële uitingen die ze doen als burger. Ik zie eerder een ruimere ontwikkeling waarin burgers, politici en professoren op tafel kloppen om onze vrije mening te verdedigen en discriminatie te bestrijden en de waarden die daarmee conflicteren dan maar opzijschuiven.

Zoals: het recht van een werkgever om binnen de grenzen van de wet mensen te mogen ontslaan als die het imago van hun organisatie ernstige schade toebrengen. Een buschauffeur die pleit voor segregatie van reizigers op zijn bus doet dat wel degelijk. Hij brengt het imago van zijn organisatie in gevaar. Of duidelijker gesteld: het bedrijf doet zichzelf de das om als het aan de samenleving zegt: ‘iemand die dergelijke ideeën verkondigt over onze dienstverlening, mag bij ons blijven’. Wees gerust dat het dan evenzeer felle reacties regent (en in mijn ogen terecht) van mensen die verontwaardigd zijn dat zoiets getolereerd wordt. Van organisaties die maatschappelijk verantwoord ondernemen hoog in het vaandel dragen, wordt verwacht dat ze daarnaar handelen. Ook dat vinden we een belangrijke waarde.

Ik vind het jammer dat Annouri en Vrielink dit niet in rekening brengen. Ze kiezen wel erg makkelijk één kant.

Een imago heeft er snel gelegen

De realiteit van de dag is dat de MIVB gewoon geen keuze had. Je kunt geen waarden als inclusie en algemene toegankelijkheid voor elke burger voorstaan en tegelijk één van je buschauffeurs de scheiding van mannen en vrouwen op de bus laten bepleiten. Je zou kunnen zeggen: ‘dat is maar één werknemer en die vertegenwoordigt de organisatie toch niet?’ Maar iedereen weet: zo werkt het niet met imago en reputatie. Als er ergens een geurtje opduikt, trekt dat over het hele bedrijf. Als de MIVB dit tolereert, is het kwaad geschied. Als ze zich er duidelijk tegen afzet, niet alleen in (makkelijk) woord, maar ook in moedige daad, dan blijft haar imago overeind of wordt het hersteld.

Een chauffeur die tegen de richting rijdt

Het is niet alleen een kwestie van imago. Je kunt ook niet voort met medewerkers die je gedachtengoed, je missie en waarden, met de voeten treden. De waarden van Redouane Ahrouch zijn flink in tegenstrijd met de waarden van zijn werkgever en dat is op zich genoeg reden om de samenwerking ernstig in twijfel te trekken en mogelijk te beëindigen. Met medewerkers die uitgesproken en met volle overtuiging tegen de richting rijden, is het weinig waarschijnlijk dat je ooit de juiste weg inslaat.

Ahrouch deed zijn uitspraken bovendien binnen de context van het werk, namelijk ‘de bus’. Hij had ook voor de scheiding van mannen en vrouwen in restaurants of sauna’s kunnen pleiten, maar dat deed hij niet. Hij drukte niet gewoon zijn mening uit, maar plaatste die bewust in de context van zijn eigen werk. Hij bracht daarin standpunten naar voor waar zijn werkgever geheel niet zou kunnen achter staan en dat had hij moeten weten of wist hij wel degelijk.

Een positief signaal naar reizigers en samenleving

Met het ontslag trekt de MIVB dus een lijn in het zand: ‘dit zijn wij niet, dit tolereren wij niet’. Ze redt haar imago naar buiten en beschermt de gelijkheid van man en vrouw onder haar medewerkers. Ze zet van haar missie de puntjes op de i en ik zeg: ‘voor zo’n bedrijf wil ik werken, met zo’n bedrijf wil ik reizen’. De organisatie geeft blijk van maatschappelijk verantwoord ondernemen, niet alleen in de letter, maar ook in de daad van dit ontslag.

Het is bizar dat een lid van Groen, een partij die al decennialang het thema maatschappelijk verantwoord ondernemen politiek naar zich weet toe te trekken, deze waarde zo makkelijk ondergeschikt maakt aan de vrije mening van het individu.

De moedwillige werkgever?

Ik maak de rekening van Groen niet en ook niet van Imade Annouri. De verdediging opnemen van iemand waarmee je het fundamenteel oneens bent, is ook een mooie deugd en een politieke zeldzaamheid.

Ik heb wel bedenkingen bij een uitspraak van professor Vrielink: “Pas op voor de overwegingen van die werkgevers. Men onderneemt doorgaans niet zozeer actie vanuit een betrachting van morele zuiverheid, maar veeleer om imagoschade te vermijden.” Ik vind dat de professor hier een intentieproces van de MIVB maakt. Is het belangrijk te weten wat er in het hoofd van de MIVB-directie omgaat als ze moreel het juiste doet en een daad stelt die overeenstemt met haar principes van maatschappelijk verantwoord ondernemen? Als je er dan van verdacht wordt dat het allemaal vals en fake is, tja, dan kan je natuurlijk nooit goed doen.

Bij je mening ook je lot dragen

Onze rechten kennen wij als het onzevader uit het hoofd, maar als het over verantwoordelijkheid en loyaliteit gaat, geven we minder graag thuis. Redouane Ahrouch mag zijn scherpe mening verkondigen en de wetgever verdedigt die, want Ahrouch wordt niet gerechtelijk vervolgd voor zijn uitspraak. Maar een mening verkondigen, is nooit een heldendaad op zich.

Een echte held maakt de afweging van de reikwijdte van zijn opinie en de mogelijke schade die die opinie aanricht aan de samenleving en de onmiddellijke omgeving waarin hij zich bevindt. Hij denkt dus ook aan de anderen en als hij beslist zijn mening door te zetten, aanvaardt hij de consequenties van die daad. Daaraan herken je de echte helden. Redouane Ahrouch bleek hier niet zo iemand te zijn.

Aan de plotse verdedigers van zwartepiet

Beste hyperverdediger van zwartepiet,

Eerst en vooral wil ik zeggen dat ik je niet als een racist zie omdat je zwartepiet verdedigt. Ik gebruik bewust het woord racisme niet, want wat is dat eigenlijk? Ik associeer racisme met bewust neerkijken op een ander – al dan niet geuit. Zwartepiet is ooit ergens opgedoken, wij zijn ermee opgegroeid en we zagen hem als een lollige grapjas of soms een kwaaierik waarvoor je moest oppassen en zeker een heel jaar braaf moest blijven. Het is bijna niemand aangeleerd dat dat een zwarte, onderdanige knecht is.

Het probleem is dat zwartepiet wel degelijk een onderdanige knecht is. De focus ligt er niet op, het is onze bedoeling niet, maar het beeld komt wel jaar in jaar uit op ons netvlies terecht. Als Bacardi voor haar drank reclame maakt met een wulpse vrouw in schaarse kledij, ben ik ervan overtuigd dat het niet de bewuste bedoeling is van Bacardi om vrouwen als lustobject voor te stellen, maar als die affiche voor mijn deur hangt, denk ik wel permanent aan seks terwijl ik aan drank zou moeten denken. En daar gaat het om, de voortdurende infiltratie van beelden op je geest. Precies omdat het hier om een feest voor kinderen gaat, lijkt het mij gezond en nodig om die link tussen zwart zijn en volgzaamheid voorgoed door te knippen, want kinderen zijn een leeg vat en wat wij er in gieten, is hoe ze er gaan uitzien.

Dus pleit ik minstens voor roetvegen, al vind ik het duidelijker om ook de kleding en de oorbellen weg te nemen. We kunnen toch wel creatief genoeg zijn om met een alternatief te komen? Iemand stelde de smurfen als hulpjes voor, dat zou nog eens geestig zijn.

Ten tweede zijn we in een samenleving waarin we doorgetrokken voor gelijkheid kiezen vrij slecht bezig als we ons gevoel rond zwartepiet gaan opleggen aan anderen. Wij voelen er vrolijkheid en een feestje bij, dus dan moeten Afrikanen het ook maar plezant vinden? Wat voor een samenlevingsmodel is me dat? Als jij je buurman een bijnaam geeft die hij niet kan waarderen, ga jij dan koste wat het kost die bijnaam blijven gebruiken omdat je hem zelf sympathiek bedoeld hebt? Neen, dat doe je niet. Je past je aan zijn wensen aan. Het zou dus fatsoenlijk zijn om rekening te houden met de gevoeligheid van anderen, zeker als die niet compleet uit de lucht is gegrepen (oorbellen, dikke lippen, onze geschiedenis in Congo,…). Als de piet echt door de schoorsteen kwam, dan zou hij trouwens eerder roetvegen hebben dan glimmend tot achter zijn oren zwart zien, niet?

Als je zegt dat alles bij het oude moet blijven omdat “wij” (de blanken bedoel je allicht – daar begint het al) dat gewoon zijn, dan sta je geen millimeter open voor de gevoeligheid van zwarten en minderheden in dit debat. Dat is niet zo bedoeld omdat jij ‘ons erfgoed’ verdedigt ‘dat wordt aangevallen’, maar dat maakt weinig uit. Door niets te willen veranderen aan hoe alles is, heb jij gezegd dat de ander zich moet aanpassen.

Je vindt dat dat ergens mag omdat jij als toerist je schoenen uittrok in een Turkse moskee, maar je vergeet te bedenken dat zwarten hier uit respect ook niet beginnen te zingen in jouw parochiekerk én, vooral, dat zij hier geen toerist zijn maar evengoed hun leven hier mogen uitbouwen als jij, met elke godsdienstvrijheid en vrijemeningsuiting die daarbij hoort. Je stelt het voor alsof zij zich op geen enkel terrein aanpassen (“ze moeten dit nu ook maar eens voor ons doen”), maar in de vele kleine gewoontes die wij in België hebben, moeten zij zich permanent aanpassen. Alles is hier ongeveer anders. Vraag jij aan deze mensen dat zij naast al die kleine aanpassingen (die je au fond al niet erkent) ook nog eens aanvaarden dat zij worden beledigd en vernederd door verwijzingen naar de verschrikkelijkste periode uit hun geschiedenis?

Je stelt Piet en Sinterklaas voor als een feest voor elk kind. Maar op een feestje voor alle kinderen, denk je ook echt aan àlle kinderen. En in een feestje dat iedereen mee organiseert, mag iedereen een inbreng hebben. Wat jij voorstelt, is een feestje waarvan alleen jij de regels oplegt en dat ik plezant moet vinden of moet opkrassen. Gezellig! Er zullen niet veel mensen met een migratieachtergrond naar je feestje komen.

Je zegt ook dat een pleidooi voor roetpieten mensen racistisch maakt. Daarmee zeg je dat het normaal is dat we mensen gaan haten wanneer ze, enkel in woord en debat, opkomen voor hun mening en gevoelens. Dat is net hetzelfde als tegen je dochter zeggen dat ze op de dag van haar verkrachting een te kort rokje droeg, zegt schrijfster Maartje Luif terecht. Een paar uur geleden had de leuze ‘Relschoppen op een kinderfeest is erger dan racisme’ 5000 likes. Mensen die tegen de gevestigde waarden ingaan, zijn dus relschoppers?

We vinden zwartepiet doodnormaal en juist daarom moeten we hem afschaffen

zwartepiet“Een kind ziet helemaal niets verkeerd aan zwartepiet, dus waarom zouden we hem dan afschaffen?” Het is heel erg gek en verontrustend dat dit een argument is van de verdedigers van zwartepiet. Het is namelijk de reden bij uitstek waarom we die hele zwartepiet uit de stoomboot moeten smijten. Dat een kind beelden krijgt van een zwarte slaaf die door schoorstenen kruipt in dienst van een grote blanke man zonder daar iets kwaads in te zien – logisch, het gaat om een kind -, is precies de reden waarom we echt komaf moeten maken met deze traditie. Een kind is volop bezig zijn beelden op de wereld te vormen. Kiezen wij er dan echt doelbewust voor om in dat beeldenpakket er eentje op te nemen van een zwarte – ach vooruit dan, een ‘neger’ – die het hulpje is van de brave, lieve, blanke heilige vader?  Is dat echt iets waarvan wij Belgen willen zeggen: ‘ja, daar kies ik voor’? Waar wij trots op zijn omdat het tot onze collectieve geschiedenis behoort? Zeggen wij echt: ‘ja, wij zijn Congo gaan leegroven’, en ‘ja, wij hebben er onder majesteitelijk gezag handen afgehakt van arme negertjes’, maar ‘neen, al wie zwart is, moet daar niet over beginnen zagen’, want ‘waar is da feesje, hier da feesje?’ en ‘ik heb recht op wat ik gewoon ben’? Gaan we echt in het contract met nieuwkomers laten opnemen dat ze moeten begrijpen dat wij jaarlijks een kinderfeestje houden met verwijzingen naar hun rol als slaaf? Omdat wij zelf in 1982 chocoladen ventjes kregen? En snoep uit een zak van een zwarte man met oorbellen? Is dat wat we in fierheid uitdragen? Het kolonialisme vormt de ‘zwartste’ bladzijde – of mag ik ‘meest duistere’ zeggen – uit onze Belgische geschiedenis, maar wij staan dus op en rechten de rug als iemand dat van ons wil afpakken. En wij zijn fier dat we op deze waarden en normen geen duimbreed hebben toegegeven. Bravo.

Ik ben zelf een blanke man van bijna veertig en pas de jongste jaren ben ik, dankzij het debat, eindelijk gaan stilstaan bij die zwartepietfiguur. Ik had er nooit iets mis in gezien en juist dat is verontrustend. Juist dat is het hele probleem. Al van voor de bokshandschoenen van het Vlaams Blok ontplof ik van woede bij racistische uitspraken, bij discriminatie, bij alles wat mensen uitsluit en op basis van vooroordelen in een hokje plaatst. Maar dat we met veel ‘tamtam’ (sta even stil bij de negatieve connotatie die we verbinden aan een Afrikaans muziekinstrument – u ooit opgevallen?) elk jaar een traditie omarmen die dat hokjesdenken bij kinderen installeert, dat lag al sinds de jaren tachtig buiten mijn blikveld. Meer dan dertig jaar heb ik dat normaal gevonden en juist dat is het probleem. Dat we gewoon niet beseffen welke beelden we binnenkrijgen. Beelden die onze kijk op anderen mee bepalen.

En dan dat andere argument: “Je mag het feest van kinderen niet afnemen.” Chantage via het kind. Nu niet langer binnen het huwelijk, maar in het publieke forum, met camera’s erop. En met niemand die daartegen inbrengt: ‘durf nog eens één keer de liefde voor mijn kind misbruiken voor uw eigen behoeftekes en ik zal u…’. Neen, het passeert allemaal geruisloos. Ik zal u zeggen wat een kind wil. Dat is alvast niet uw eigen nostalgie naar zwartepieten die u in de zak staken in de feestzaal van het parochiecentrum. Kinderen willen spelen en leut maken en hebben lak aan de nostalgische buien van hun ouwe pa. Ze willen FIFA spelen en hebben geen ene boodschap aan een ploegske Rode Duivels dat dertig jaar geleden in Mexico twee matchkes meer kon winnen dan verwacht. Uw tradities, uw radio Nostalgie, laten onze kinderen koud. En als je dan toch per se op je strepen staat, trek ze dan ook door. Pak hun Mindcraft af, gooi de Twister open. Beter is het evenwel je niet aan te stellen. Van al je principes krijg je een stijve nek. Stel je open, treed uit de verkramping, laat nu eindelijk los en een nieuwe wind binnenwaaien. Je dagen zijn geteld, je doden zijn begraven.

Behandeld als grote mensen

vrijheid

Het is ik-weet-niet-hoe-lang geleden. Maar vandaag, 7 april 2016, had ik nog eens het gevoel in dit land als grote mens te worden behandeld, als volwassen vent die zijn eigen keuzes kan maken. Minister van Werk Kris Peeters (CD&V) komt met een uitgewerkt voorstel om de 38-urenweek af te schaffen en om overuren cash uit te laten betalen. Stel je voor dat we voortaan nu eens echt tot 45 uur per week kunnen werken (waarom zelfs niet meer?) zonder dat een vakbond ons handje komt vasthouden – of moeten we zeggen: ‘komt strelen’? – en in onze plaats weet te orakelen dat dat niet goed is voor ons welzijn en we een burn-out gaan krijgen. Beeld je in dat ons geen Daens-complex meer wordt aangepraat omdat we toevallig goesting hebben om voor onze boeiende job een tandje bij te steken, om een collega en chef gelukkig te maken en klanten tevreden te stellen. Dat eens simpelweg aanvaard wordt dat wij kicken op eens goed doorvlammen en uren kloppen en dat wij ons met plezier laten ringeloren door die sluwe snoodaards van het patronaat. Met onze knieën op een meetlat slagersvloeren schrobben, onder de dreiging van nare lederen zweepjes. En de chauffage die te laag staat. Kom maar af, spank me! And show me the money.

Met dat geld neem ik op kalme weken een citytrip en drink in the late night bar een cocktail op de gezondheid van alle stervelingen die zogezegd hun rechten niet hebben kunnen verdedigen en aan wie ik mijn midweekvakantie te danken heb. Hoe mooi zou dat zijn? Eindelijk gerechtigheid voor de zelfdenkende, mondige burger, eindelijk tot wasdom verwelkomd. Avondlijk thuiswerk dan toch eens gewoon wettelijk verzekerd voor het geval ik met mijn oog op mijn balpen in slaap val.  Eindelijk bevrijd van schavuiten die hun fans tellen en zonder te checken poneren de rechten te verdedigen van ook al wie niét als angsthaas lidgeld betaalt voor een club die ons tegen wie-weet-ooit-eens-welk ontslag of verlies van verlof op Pinkstermaandag wil beschermen. Wat zou dat goed voelen!

Mijn verbeelding was nog maar net geprikkeld door de heer Peeters, of ik werd zot van glorie door een voorstel van Jong Groen. Die frisse knapen willen mij de kans bieden om een paar goede vrienden gelijk te stellen met erfgenamen in de tweede graad (mijn broer of zus dus). Ronduit fantastisch is dat. Naar hun plan kunnen een vriend en ik dan erfgenaam van elkaar worden en verlof krijgen voor elkaars huwelijksfeest of begrafenis. Doe maar eens heel zot en tel de voorstellen van Kris Peeters en Jong Groen op. Dat zou betekenen dat wij zeggenschap krijgen over werk en vrienden, over wat we de hele dag uitvreten dus en over wie we graag zien. Dat kan toch bijna niet de bedoeling zijn van politiek? Ik die dacht dat ons uitspreken over een brug over ’t Scheld of over een vrijhandelsakkoord met Oekraïne het maximaal haalbare was. Neen, hoor.

Het voorstel van de jonggroenen komt er allicht nooit in de bonusvorm waarin ze het zelf voorstellen en dat zou ook niet goed zijn. Nog wat meer verlof kunnen onze bedrijven niet aan, me dunkt, ‘de concurrentiekloof met de ons omringende landen’, je weet wel. Maar gooi dit prachtige kind niet met het badwater weg en laat mensen kiezen: familie of vrienden. Een oude broer die je talent en speelgoedautootjes achttien jaar wist te kraken, op diens begrafenis hoef je niet te zijn. Het geld van je vader die je even lang misbruikte, hoef je niet te hebben. Geef mensen munitie om zich daarvan te verlossen, zorg dat ze hun verlofdagen en erfenissen zelf moeten kiezen – ruil een familielid voor een vriend – en doe hen loswrikken van de ketens die hen al een volwassen leven lang omknellen. Beloon de vrienden die hun waarden delen, die je met wodka en woorden door je donkerste uren hebben gesleurd, daar in dat putje van de nacht. Het voorstel van Jong Groen kan helend zijn voor hele generaties.

Het sprankelende idee van deze vrije denkers leidde mijn gedachten ook af naar de begrafenis, jaren geleden, van een vriend. Pas een week nadat het uit was met zijn liefje, kwam hij tragisch om het leven. Dat meisje had jarenlang de diepste intimiteit met hem gedeeld, maar liep nu alleen in de begrafenisstoet, ver achter de broers en zussen die elkaar stutten en zonder een arm om haar heen. Want het was toch ‘uit’, dus viel de jongedame ook uit de familie, die altijd voorop loopt. Je reinste eenzaamheid, opgedrongen door kaders en rituelen.

Ironisch genoeg zullen Kris Peeters en Jong Groen nooit elkaars ontketenende plannen verdedigen. Ik zie de groenen niet meteen een voorstel steunen dat werkgevers ademruimte geeft en vakbonden enigszins kan verontrusten. Daarvoor schurken ze te dicht tegen de socialisten aan en zien ze te weinig in dat ze eigenlijk een modern, hoogopgeleid en kritisch kiespubliek dienen dat beslist voor zichzelf weet te zorgen, vooral voor de staat naar Brussel treint en alles wat staking heet fors beu is. Evenmin zie ik de christendemocraten plots gewillig de hoeksteen van de samenleving onderuit halen en een dikke maat of een ex-lief waarmee je nog knuffelt, met je moeder gelijkstellen.

Toch dienen beide partijen met deze voorstellen dezelfde burgers. Zij die willen gaan waar ze willen en staan waarvoor ze staan. Zij die bewuste keuzes maken, wars van tradities. Zij die naar eigen wens hun loopbaan willen vormgeven. Zij die geen paperassen willen invullen voor elk klein recht. Zij die van job zouden veranderen als hun fiets gratis op de trein kon. Zij die wel geld zien zitten in plaats van een bedrijfswagen. Geef ons politici die alles in het werk stellen om ons vrijheid in plaats van veiligheid te garanderen. Die alles geven om ons voor altijd gerust te laten.

Sorry terug!

rolluikSorry dat wij zuur zien op den tram. Sorry voor de rolluiken om vijf uur. Sorry voor onze villa’s met een hek. Sorry dat wij altijd binnen zitten. Sorry dat wij te vroeg zijn. Sorry dat wij zo normaal doen. Sorry dat wij ‘excuseer dat ik u stoor’ zeggen. Sorry dat wij zeggen dat gij niet kunt lachen. Sorry dat wij denken dat gij kwaad zijt. Sorry dat wij ons bomma in een rusthuis steken. Sorry voor ons geld. Sorry dat wij wel werk hebben. Sorry voor de files naar Brussel. Sorry dat wij geen schapenvlees delen. Sorry voor de pascontrole. Sorry dat ge dat moet begrijpen. Sorry voor CSI New York. Sorry voor Jan Verheyen. Sorry voor Komen Eten. Sorry voor Clouseau. Sorry dat wij niet vasten. Sorry voor het lentefeest. Sorry voor de lichte zeden in Temptation Island. Sorry dat wij niet kunnen sjotten. Sorry dat wij toch winnen. Sorry dat wij beter samen spelen. Sorry dat wij zo denken. Sorry voor onze buitenwippers. Sorry voor de zondagsrust. Sorry voor de witte scholen. Sorry voor ons skiverlof. Sorry voor onze ecologische voetafdruk. Sorry voor Benidorm. Sorry voor ons alcoholprobleem. Sorry voor de doden op de baan. Sorry voor ons allochtonendebat. Sorry dat gij dan op tv komt. Sorry voor zwartepiet. Sorry voor verlof met Kerstmis. Sorry voor technische en beroeps. Sorry dat wij niet claxonneren als ‘t plezant is buiten. Sorry dat wij zo stil zijn. Sorry dat wij niet kunnen feesten. Sorry dat we niet te lang kunnen blijven. Sorry dat wij er niet gaan geraken. Sorry voor ons schoon vrouwen. Sorry dat wij door willen in de Handelsstraat. Sorry dat wij niet uitstappen voor vrienden. Sorry dat wij die samendoodlen. Sorry voor de Walen. Sorry voor B-H-V. Sorry dat wij het woord ‘sabbatjaar’ misbruiken. Sorry voor onze werk-privébalans. Sorry dat wij zagen. Sorry voor PMS. Sorry voor uw diploma. Sorry voor onze regeldrift. Sorry voor onze burgemeester. Sorry dat wij dichtgroeien. Sorry voor ons all-inverlof. Sorry dat wij niet weten dat we in Turkije zijn. Sorry dat wij biefstuk bestellen. Sorry voor sokken in sandalen. Sorry dat Marokkanen nu eenmaal toffer zijn in Marokko. Sorry voor racisme. Sorry dat het ook aan u ligt. Sorry dat den tram in Merksem stopt. Sorry voor het 11 juli-feest in Brasschaat. Sorry voor Syrië. Sorry dat wij een tyfoon erger vinden dan een burgeroorlog. Sorry dat wij niet zo’n schoon ogen hebben. Sorry dat wij ons friethaar niet bedekken. Sorry voor ons hoofddoekenverbod. Sorry dat uw naam te moeilijk is. Sorry dat ik u niet uit elkaar kan houden. Sorry dat wij reflexief Frans spreken. Sorry voor ons Antwerps en West-Vlaams. Sorry dat wij Les Chevaux de Dieu niet zagen. Sorry dat wij veldrijden serieus nemen. Sorry voor de ribbelstroken op het jaagpad. Sorry dat wij uit ons eigen bord eten. Sorry dat ge voor een glas water moet betalen. Sorry voor nummerkes bij den bakker. Sorry dat wij alleen ‘Aicha’ van Khaled kennen. Sorry dat wij proberen te buikdansen. Sorry dat wij houterig bewegen. Sorry voor Geert Hoste, die komiek. Sorry voor da weer.

Dit is een nederig weerwoord op de Sorry van Erhan Demirci van Nuff Said.

Ook Chris van den Abeele van Radio 1 schaamde zich en verontschuldigde zich.