“Als ik door Brasschaat rijd, voel ik me ook niet in België”

“Als ik door Brasschaat rijd, voel ik me ook niet in België. Ze rijden er voor amper 500 meter in monovolumes van hun villa naar de Delhaize en kopen er een ciabattabrood en voorverpakte hummus. Ze denken dat ze daarmee multicultureel zijn, maar hebben nog nooit een tram genomen. Hoe gaan zij ooit een band opbouwen met het gewone volk?”

Vooruit-voorzitter Conner Rousseau* laat in een nieuw gesprek met HUMO een ander geluid klinken.

HUMO: Waarom nam u contact op met onze redactie? Hebt u spijt van uw uitspraken over Molenbeek?

Conner Rousseau: “Neen, ik vind het belangrijk om de wereld simplistisch voor te stellen, zodat de mensen zich weer kunnen identificeren met de politiek. Als je gaat nuanceren, ben je weer boven de hoofden van de mensen bezig. Dat is echt hautain! Zo wil ik niet aan politiek doen.”

U bracht wel een hele hetze op gang.

“Dat was wel bewust, hoor, ik ben thuis in marketing en communicatie. (lacht) Kijk, de tijd dat we ons als socialisten moesten schamen omdat we opportunistisch dachten, daar kap ik mee. Ik wist dat ik genoeg had aan een scherpe uitspraak die jullie dan in de titel zouden zetten om te scoren, ook al had die verder niets te maken met de kern van het interview, namelijk dat ik hard mijn best doe en moeilijk nog rust ken want zo populair en daardoor hoofdpijn heb en dat ik monitor was op jeugdkampen en iemand met een moeilijke jeugd persoonlijk ken. Vervolgens heb ik dan op de radio gezegd dat ik snapte dat jullie die titel kozen, zodat ik sympathiek overkwam en het toch leek alsof ik er allemaal zelf niet aan kon doen. Zo makkelijk is dat allemaal, maar jullie hadden dat precies niet door, kan dat?” (lacht uit)

Euh…

“En ja, de rest is makkelijk, he. Al die wokers beginnen te flippen omdat ik zeg dat ik me in Molenbeek niet in België voel en gaan dat artikel in hun colère massaal delen, al hebben ze het niet gelezen. Slimme journalisten willen vervolgens bewijzen dat ze open minded zijn door die uitspraak te nuanceren en mijn moed te benoemen en plots lig ik met een extreme uitspraak ‘in het midden van het politieke bed’. Moeilijk is dat niet, he?”

Toch wil je je nu richten tot de Molenbekenaars?

“Ja. Als door mijn uitspraak sommige inwoners van Molenbeek zich gekwetst zouden voelen, wil ik me hiervoor excuseren. Voor mij is die bladzijde omgedraaid, ik begin vanaf vandaag weer met een schone lei. Ik noemde met Molenbeek ook maar een lukrake gemeente om integratieproblemen te benoemen, ik had het evengoed over Brasschaat kunnen hebben.”

Brasschaat?…

“Je moet de dingen durven benoemen. Als ik door Brasschaat rijd, voel ik me ook niet in België. Ze rijden er voor amper 500 meter in monovolumes van hun villa naar de Delhaize en betalen er met hun mastercard aan de automatische kassa – zonder met iemand te praten – voor een ciabattabrood en voorverpakte hummus. Ze denken dat ze daarmee multicultureel zijn, maar hebben nog nooit een tram genomen. Ze verduisteren hun fortuinen op de Kaaimaneilanden, maar als hun horloge van 35.000 euro wordt gestolen, twitteren ze dat stelen NOOIT – in drukletters – valt goed te praten. Hoe gaan zij ooit een band opbouwen met het gewone volk? Hier stelt zich toch echt een integratieprobleem.”

Hoe kan de regering dit integratieprobleem aanpakken?

“Wij pleiten als socialisten voor een goede sociale mix, we willen de getto’s doorbreken. Natuurlijk kunnen deze minderheidsgroepen nog steeds naar hun hockey- of poloclub, maar misschien moeten wij als samenleving dergelijke mono-culturele clubs niet langer subsidiëren. Als we niets doen, dan worden deze mensen heimelijk uitgelachen als ze op voetbalclubs met hun flinterdun Ralph Lauren-truitje op een geruit hemd komen aanzetten. We moeten deze mensen tegen zichzelf beschermen.”

“Ik zeg niet dat het burberrysjaalverbod er morgen moet komen, maar laat ons met alle democratische partijen het debat voeren.”

“Als socialisten pleiten we ook voor een burberrysjaalverbod achter het stadsloket. Beeld je in dat je als modale burger een conflict met je huisbaas wil aankaarten en je stoot op iemand met zo’n sjaal, die mogelijk nog nooit in z’n leven een appartementje heeft moeten huren. Gaat die jouw dossier eerlijk behandelen? Wij willen luisteren naar de modale Belg die zich hierbij niet veilig voelt. Ik zeg niet dat het burberrysjaalverbod er morgen moet komen, maar laat ons met alle democratische partijen het debat voeren.”

Volgens cijfers van Stad Antwerpen werken er maar drie Brasschatenaren met burberrysjaal aan een stadsloket.

“Het gaat ons om de symbolische waarde. Wij willen als partij een signaal geven: ‘bange burger, wij hebben jou gehoord’.”

Hoe kan je dit integratieprobleem bij de kiem aanpakken?

“Door in het onderwijs in te grijpen. Weet je dat er in Brasschaat leerkrachten zijn die uitsluitend in het Frans lesgeven omdat hun Nederlands te gedistingeerd is en hun ‘r’ blijft doorrollen? Zo sluit je kleine kinderen al bij voorbaat uit van de middenklasse en het gewone volk. Dit kan echt niet.”

“Als we vandaag niet ingrijpen, kweken we de Reuzegommers van morgen.”

“Als progressieve partij willen we ook dat kinderen vanaf een half jaar verplicht naar de crèche gaan. Je moet ze snel genoeg uit hun isolement halen, zodat ze leren dat andere kindjes met de tram en de fiets worden gebracht en dat de nanny die hen komt halen misschien gewoon hun eigen moeder is. Ze moeten zich de gewone omgangsvormen zo snel mogelijk eigen maken. Als we vandaag niet ingrijpen, kweken we de Reuzegommers van morgen. Dan draaien ze op hun 18 muizen door de blender en voeren ze visolie aan jongeren die toevallig niet tot het groepje behoren dat ze hun hele leven hebben gekend. We moeten die keten dringend doorbreken om er als samenleving op vooruit te gaan.”  

Dank je wel voor dit verrijkend interview, mijnheer Rousseau.

“Graag gedaan. Wil je er wel nog bij schrijven dat ik dus iemand in armoede persoonlijk ken en dat ik monitor ben geweest op zomerkampen voor moeilijke jongeren? Bedankt!”

*Dit interview is fictief. Gelijkenis met bestaande figuren berust geheel op toeval.

Beste Theo Francken,

(Foto: Redactie24)

U bent een klier, maar er is geen paniek: ook voor mensen met uw opvattingen zijn er plekken op deze wereld waar zij zich thuis kunnen voelen. Een begrafenisonderneming lijkt me wat voor u. Keurig voor het lijk de grond in zakt, hebt u familieleden op de prijs van de mahoniehouten kist gewezen. U hebt het verdriet niet gevoeld en de herdenking verpest, maar tenminste kwam niemand voor financiële verrassingen te staan. Daarvoor staat u garant en zo iemand hebben we nodig. U bent de niet geliefde boekhouder van de over-kop-gaande start-up, de beul aan het schavot. De man die over de cijfers waakt in het holst van de nacht. Iemand moet het doen en dat wil u dan wel zijn. Dat aura van verantwoordelijkheid laat u zich graag aanmeten, als het kilblauwe jasje dat u past.

Met verstomming en een koude rilling sta ik te kijken hoe u zich na één week afschuwelijke oorlog druk maakt over het leefloon dat Oekraïense vluchtelingen in dit land zullen krijgen. ‘Wie gaat dat betalen?’, is dus echt het eerste waaraan u denkt. Het antwoord wil ik wel geven, alvorens een paar miljoenen Belgen het u in de oren schreeuwen: wij. Wij, omdat wij vinden dat het moet. Omdat mensen aan het oostfront voor ons de kastanjes uit het vuur halen, de vrijheid en de westerse waarden waarover u zo graag orakelt met hun leven verdedigen. In de studio van De Zevende Dag kronkelt u op uw stoel, rollen uw ogen van onmacht, u kunt onze domheid niet aan, u kermt van de pijn, omdat wij het grote plaatje, het budgettaire drama niet zien dat op ons af dreigt te komen.

Ik stel u hierbij gerust en hoop dat u kalm wordt: wij zien wat het kost. Wij hebben gewoon collectief en zonder een seconde aarzeling beslist dat dat niets uitmaakt. En ik zit wel degelijk te rekenen, namelijk hoe ik – zonder ze af te breken – mijn hele kleerkast door het raam in een container kan steken, hoe ik de stenen van mijn koer uitbreek en ze bij die kraamkliniek in Marioepol laat leveren. Er is echt niets anders dat ons nu nog iets kan schelen.

Neem mijn jobadvies aan, mijnheer Francken, en blijf weg uit het parlementair halfrond, u bent een humanitair affront. Bespaar me dat u nog eens met de ogen rolt, of ik kom ze met mijn duimen diep in uw schedel rammen. U denkt van zichzelf breed en nuchter te denken, in u ontwaakt de rede ‘boven de emotie van het moment’ en dat is er weinigen gegeven. Allicht moeten we vervuld zijn van uw goedheid uw verstand met ons te willen delen, zonder u reden we blind de ravijn in.

Toch zijn wij het, en wij alleen, die onze ogen zouden mogen laten rollen van uw uitgekraamde onzin, van uw uit betonrot opgetrokken stellingen. U bestaat het te vinden dat de vluchtelingen in dit land enkel ‘bed, bad, brood en begeleiding’ zouden mogen krijgen. Dat we ze ‘onderhouden’ dus en begeleiden naar werk, maar ze niet moeten denken financieel iets op te mogen bouwen zolang ze die job niet vinden. Neen, dan hebben ze geen recht op een toekomst. Dat is een comapatiënt aan de beademing laten, dat is je oma droppen in een Vlaams woonzorgcentrum. Ze mogen in leven blijven, maar u hoedt zich er woordelijk voor dat ze ‘geluk zoeken’, dat is een brug te ver.

U bestaat het te denken dat mannen uit Charkov 1000km naar Lviv rijden, hun gezin er achterlaten om het misschien nooit meer te zien en in hun mogelijk laatste woorden stamelen: “Ga naar België, vrouwlief, want daar krijg je een leefloon, en als je er een job vindt en ze toch weer kwijtraakt, krijg je levenslang dopgeld.” Hoe ontheemd bent u, hoe vervuild zijn uw gedachten?

What doesn’t kill you, makes you sweeter

Lore Baeten

Liefste Lore,

“Ik ben geen mannenhater, ik vind mannen keilief!”, roep je bijna uit. De tranen rollen nog over je wangen als ze alweer in je lach verdwijnen. Wat ben je sterk. Je hebt Philippe Geubels en de kijkers van Taboe verteld dat een vriend je heeft verkracht toen je vijftien was, nu elf jaar geleden. Het heeft je geloof in mensen niet aangetast.

Ik voel een natuurlijke neiging om je in mijn armen te nemen, maar troost is een station dat jij al lang bent gepasseerd, laat staan dat je mij daar op het perron zou willen treffen. Ik hoop dat niemand je nu ongevraagd een kaartje stuurt, uit meelij – met zo’n lange ‘ij’ die te klef plakt, voor jou geen ticket terug naar af.

We doen daar niet aan mee. Deze brief is een ode. Liever dan dat ik je knuffel, schrijf ik wat ik knap aan je vind. Je verdriet wordt door iets overtroffen. Ik heb goed naar je geluisterd en één woord spreekt uit je lichaamstaal en al wat je zegt: sereniteit. Dat betekent ‘in harmonie met de wereld’ en het is hoe ik je zie. Van de weeromstuit moet die harmonie zich in jou hebben genesteld, doorheen die elf jaar. Je zat op een hoopje, een fles vodka tussen je knieën, zij kwam binnen en heeft je frigo gevuld. Je had wat argwaan, maar ze is niet meer weggegaan, jullie hebben het gezellig samen.

Je vertelt hoe vaak mensen je hebben gevraagd of je toen had gedronken, welke kleren je droeg, of je misschien een verkeerd signaal had gegeven. En hoe pijnlijk die vragen zijn, alsof je zelf schuld treft. Je had je in de sofa bij Philippe tot het delen van dat gevoel van onbegrip kunnen beperken, daarvoor had iedereen al lof gehad. Postkaartjes zouden bezegeld beginnen worden. 

Maar jij, Lore, bent verder gegaan. Je hebt gekozen om een cirkel van boosheid en frustratie te doorbreken omdat je weet dat je daarvan niet gelukkig wordt. Je hebt een hand naar een vreemde wereld gereikt en hebt getracht die te begrijpen. “Mensen zeggen zulke dingen om zichzelf te beschermen. Ze willen geloven dat zoiets hen nooit zal overkomen, zolang ze zich anders gedragen dan ik.” De credits voor die woorden gaan naar je psycholoog, maar jij bent het wel die ze belichaamt.

Je doet me denken aan dat meisje uit de film The Sweet Hereafter, dat als enige een busongeval met schoolkinderen overleeft. Een advocaat vertegenwoordigt de families en probeert voor het ondraaglijke een schuldige aan te duiden – de busmaatschappij, de wegenwerken, noem maar op. Het meisje weet dat daarvan niemand tot leven komt, heeft de grootste hel gezien en erkent gewoon dat de chauffeur in slaap was gevallen. Het dorp dat per se een oordeel wil vellen, leeft intussen in oorlog. Dat was in 1997, Facebook bestond nog niet.  

Is mildheid dan misschien een overlevingsmechanisme, omdat je anders toch maar van woede barst? Of voel je als vanzelf mededogen, laat de perceptie van feiten je koud als de feiten zelf erger zijn? Misschien is empathie het doeleind van leed. Of misschien, Lore, ben jij gewoon Lore en was je altijd al sympathiek.

Het is de dag na mijn sessie Taboe wanneer Dean Verberckmoes dood wordt aangetroffen in Zeeland. Op sociale media wordt de vermoedelijke dader ‘een monster’ genoemd. Een man met een ‘anti-sociale persoonlijkheidsstoornis zonder schuldbesef’ is kennelijk niet genoeg. Ik denk aan je woorden: we plaatsen hem buiten het mens zijn, dan zijn we gerust dat niemand van ons ooit zoiets zou doen. Uitsluiting als dranghek voor de oerangst.

Hoe zou de wereld eruitzien met meer Lores?

Heel veel dank voor je open woorden en veel geluk!

Hartelijke groet,

Johan 

(Bekijk zeker de prachtige aflevering ‘Vrouwen’ van Taboe, op VRTnu.)

Het woord ‘racisme’ maakt ons potdoof voor elkaar

De term ‘racisme’ wordt in het maatschappelijk debat verkeerd gebruikt en dat heeft kwalijke gevolgen voor zowel witte mensen als mensen met een migratieachtergrond. Hij wordt even vlot in de mond genomen voor bewuste aanvallen, vernederingen, beledigingen, uitsluitingen en vooroordelen op basis van afkomst, als voor onbewuste stereotyperingen in kinderverhalen of sprookjes, in traditionele gebruiken, in misplaatste grappen, in gedateerde sitcoms. Vandaag gebruiken we één term voor al die situaties. We zeggen dus eigenlijk dat niet helemaal doorhebben wat er mis is aan zwartepiet even schandalig is als iemand een appartement weigeren om zijn huidskleur of roepen dat hij terug naar zijn eigen land moet.

De term ‘racisme’ wordt in het maatschappelijk debat verkeerd gebruikt en dat heeft kwalijke gevolgen voor zowel witte mensen als mensen met een migratieachtergrond. Hij wordt even vlot in de mond genomen voor bewuste aanvallen, vernederingen, beledigingen, uitsluitingen en vooroordelen op basis van afkomst, als voor onbewuste stereotyperingen in kinderverhalen of sprookjes, in traditionele gebruiken, in misplaatste grappen, in gedateerde sitcoms.

Vandaag gebruiken we één term voor al die situaties. We zeggen dus eigenlijk dat niet helemaal doorhebben wat er mis is aan zwartepiet even schandalig is als iemand een appartement weigeren om zijn huidskleur of roepen dat hij terug naar zijn eigen land moet.

Bewust neerkijken op een ander

Racisme is volgens Van Dale (1) ‘de opvatting dat mensen met een bepaalde huidskleur beter zouden zijn dan mensen met een andere kleur, gebruikt als rechtvaardiging om mensen met een andere kleur slecht te behandelen’, of (2) ‘discriminatie op grond van huidskleur’.

Racisme gaat dus om een opvatting, een actieve gedachte van de racist dat hij of zij zich meer mag voelen dan een andere mens, en/of om anderen bewust uitsluiten omdat ze er anders uitzien. Een racist is volgens Van Dale dus iemand die heel bewust op een ander neerkijkt of een ander uitsluit.

Het is een kwalijke zaak dat onbewuste processen die voortvloeien uit een witte cultuur waarin mensen opgroeien gelijk worden gesteld aan de actieve gedachte dat een ander minderwaardig is. Clichés in je hoofd hebben, maakt je nog geen slechte mens. Niet helemaal door hebben dat het beeld van zwartepiet of een standbeeld van Leopold II kleinerend is bijvoorbeeld, maakt je niet plots inherent slecht. Daarvoor toch als racist worden versleten, is pijnlijk en beledigend, er wordt een oordeel geveld over hoe je bewust over een ander zou denken en voelen. Zo’n beschuldiging hakt er stevig in en ze wordt maar beter niet te lichtzinnig gemaakt. 

In kampen gedreven

Ze is ook extreem contraproductief. De witte mens die door een onbekende wordt beschuldigd van hoe hij zou denken of voelen, duwt heel begrijpelijk die beschuldiging radicaal terug. Jammer genoeg worden met dat actief terugduwen van de beschuldiging ook alle terechte bekommernissen van mensen met een migratieachtergrond weer niet gehoord.

Zij blijven onbegrepen achter en worden alleen nog bozer of verdrietiger en ik krijg meer en meer de indruk dat zij van de weeromstuit het voor zichzelf daarop nog erger maken. De boze, beledigde blanke Vlaming luistert niet meer, dus voelen zij de nood aan een nieuw rondje van dezelfde faliekante aanpak. Ze wijzen op de nefaste gevolgen van dagelijkse stereotypering, van tot vervelens toe aangesproken worden in het Frans of al te toegankelijk Nederlands, van verbaasde blanke blikken als ze ergens met hun Audi A4 arriveren, van ongepaste strelingen over hun kroezelhaar, en noemen dit alles racisme, omdat ze duidelijk willen maken dat dit ernstig is en hen dagelijks kleineert (wat het ook doet). ‘Racisme’ is de caps lock en het uitroepteken van de boze mail. Niemand luistert nog, iedereen vindt je vervelend en fanatiek.

Racisme is de caps lock en het uitroepteken van de boze mail. Niemand luistert nog, iedereen vindt je vervelend en fanatiek.

Dat je je met de meest beschaafde bedoelingen toch altijd vastrijdt met de term racisme, bewijst voor mij de column van Anouk Torbeyns in De Standaard. Ze schrijft: ‘Er is ook een sluimerende vorm van racisme, die eveneens gebaseerd is op diepgewortelde stereotiepe denkbeelden in de brede samenleving. Daar ontsnapt niemand aan. (…) Niemand wil van zichzelf zeggen dat ie racistisch is. We vinden het moreel verwerpelijk, dus geven we niet graag toe dat we met vooroordelen kampen.’

Torbeyns doet haar uitdrukkelijke best om niemand te beledigen, maar haar woordkeuze ‘racisme’ doet dat vanzelf, je kunt er niet rondfietsen. Het is uiteraard noodzakelijk om naar onze stereotypering te kijken, het is onze burgerlijke plicht om een betere persoon te worden voor anderen. Maar die stereotiepe denkbeelden maken van ons nog geen mensen die bij helderheid van geest stellen dat ze meer zijn dan een ander.

Raciaal denken als nieuwe term

Op wat Anouk Torbeyns de ‘sluimerende vormen’ van racisme noemt, hebben we dankzij de superdiverse samenleving meer en meer zicht gekregen, de oogkleppen vallen bij beetjes af. Maar de terminologie is niet mee geëvolueerd. Er ligt een heel veld open voor een term die alle vormen van clichédenken en vooroordelen benoemt die terug te brengen zijn op culturele denkbeelden, op angsten eventueel, maar die niet vanuit boosaardigheid of meerwaardigheid vertrekken.

Stereotiepe denkbeelden maken van ons nog geen mensen die bij helderheid van geest stellen dat ze meer zijn dan een ander. 

Door al wat kwetsend is en mensen stigmatiseert maar niet kwaad bedoeld is een naam te geven en van het racisme af te scheiden, kunnen we rond de tafel blijven zitten. Niemand hoeft zich beledigd te voelen en een grote groep kan in alle rust eindelijk de erkenning krijgen voor de onschuldig bedoelde, niet eens bewuste, maar o zo ondermijnende stigmatisering waaronder hij dagelijks gebukt gaat. Iedereen kan eens gaan kijken in hoeverre hij zich aan raciaal denken bezondigt en wat hij daar zelf aan kan doen of hoe het is gekomen – zonder dat iemand in zijn plek de antwoorden daarop geeft. Los dus van de beschuldiging, los van de zelfkastijding. Van verwijten is nog nooit iemand in beweging gekomen. Gaan we een schuldige aanduiden of zoeken we samen naar een uitweg?

Black Lives Matter. Can we stick to the subject?

Amerika en de hele wereld staan in brand. Black Lives Matter spat van de straatstenen, woede komt verwoestend naar buiten, verdrukte stemmen schreeuwen zich schor, ze krijgen eindelijk een venster van aandacht.

En dan zijn er altijd mensen die zeggen: “alle levens doen ertoe”. En eraan toevoegen: “In Zuid-Afrika worden er nu ook blanken vermoord, hoor. En in Turkije en het Midden-Oosten christenen. Als je het over racisme wil hebben, moet je daar ook over praten.”

Theorie alleen is niet genoeg

Gaan we uit van de goeie bedoelingen van deze mensen, dan kunnen we stellen dat ze streven naar een objectieve benadering. Ze waarschuwen voor tunnelvisie, wijzen erop dat racisme zich in alle gedaanten kan manifesteren en dat niet alleen zwarten gediscrimineerd worden – en zij zich dus niet slechter behandeld hoeven te voelen en het thema eigenlijk niet mogen opeisen.

De moeilijkheid om met deze mensen in discussie te treden ligt erin dat ze puur theoretisch gelijk hebben en vaak ook puur theoretisch denken. Maar ‘gelijk hebben’ zit niet alleen in ratio en feiten op papier. We zijn daar in het westen wel geweldig mee opgegroeid, maar er spelen ook andere factoren in ‘gelijk hebben’ of ‘gelijk krijgen’. Ook het gewicht en de timing van je inbreng tellen mee.

Over het ‘gewicht’ denk ik dat die inbreng in deze kwestie te licht weegt. Natuurlijk zijn er overal ter wereld vormen van racisme, in vele gedaanten. Maar het racisme naar zwarten is toch duidelijk een wereldwijd probleem dat zijn historische wortels kent in kolonialisme en slavernij en in die zin zo hardnekkig blijft voortleven. De beeldvorming over de zwarte als minderwaardige dienaar of ‘wilde’ die gecultiveerd moet worden, is er bij witte mensen jaar en dag ingepompt, om kolonisering en slavenhandel te vergoelijken of propaganderen. En dat kent in onze hoofden zijn uitlopers tot vandaag. Het gaat om een structureel en systemisch probleem op wereldvlak. Dus lijkt me een grote focus op Black Lives Matter niet meer dan terecht, want hier is enorm veel werk te verrichten, nog altijd en over zowat de hele wereld.

Daarnaast is er de timing van deze ‘all lives matter’-opmerkingen en dan stappen we het domein van de empathie binnen. Op dit moment de Black Lives Matter-protesten gaan relativeren door het over andere minderheidsgroepen op bepaalde plekken in de wereld te gaan hebben, is op zijn zachtst gezegd ongelukkig te noemen. En scherper gesteld is het vooral kwetsend.

En ook nu moet je zwijgen?

Het geeft zwarte mensen vooral het gevoel dat ze ook nu weer moeten zwijgen. Ze zaten met aanhangers samen rond één hypergeconcentreerd en ijzersterk debat, rond één kaars, zeg maar, en dan komt er iemand extern de neonlampen aanfloepen, ‘om het debat breed te houden’. Maar het debat moet niet opengetrokken worden, want nu gaat het over Black Lives Matter en dat mag en moet er zijn.

Bij dat kaarslicht valt genoeg te ventileren en te delen over racisme, discriminatie en politiegeweld. Er kunnen tegenargumenten of verzachtende verklaringen worden aangebracht, dat wel, maar dan wel binnen dit thema. Denk aan stedelijke criminaliteit in bepaalde wijken en de nood aan orde en gezag, de angst van het politiekorps en Trump die de gemoederen verhit. In dit gefocust debat mag ook herinnerd worden aan knielende agenten – het zijn niet allemaal racisten. Er wordt ook gepraat over hoe breed, verborgen en geniepig racisme zich vertoont: in minder job- en opleidingskansen, in gesmoorde stemmen, in zwarte professoren die door kranten niet voor hun dossierkennis worden opgebeld, maar wel eenmalig voor hun verhaal over racisme – voor in de Black Lives Matter-weekendbijlage. Het gesprek bij kaarslicht gaat over verdachtmakingen, over aangesproken worden in kreupel Frans, over wat een schattig kroezelhaar gij wel niet hebt, over zogezegde complimenten dat ge toch wel goed op tijd zijt voor een Afrikaan, over uw anders zijn de hele godganse dag.

Laat deze mensen zich uitspreken en luister nu eerst naar wat ze zeggen, alvorens er andere zaken bij te sleuren. Het is mensonterend om net op zulk kwetsbaar moment, na de dood van Georg Floyd, te moeten horen dat je alles ook een beetje moet relativeren. En zeker als dat opgelegd wordt vanuit een vergelijking die maar half steek houdt, er slechts in de verte mee te maken heeft.

In volle redevoering, in het midden van je emotioneel betoog, word je abrupt afgebroken door een manke vergelijking, een niet ter zake doend en ver verhaal uit Syrië. Weg sfeer, weg erkenning. Je toont je een groots debater met gevoel voor rede en zeker geen ‘woedende neger’, dus je vermant je en slaat instant aan het googelen: ‘wat zijn koptische christenen?’. Je duwt je tranen terug, je slikt je pijn door.

In jogging naar de nachtwinkel en langs de kapper naar huis: dit wordt voor iedereen wennen

Beste vrienden,

Het zijn coronatijden, het wordt voor jullie allen wat aanpassen. À la guerre comme à la guerre. Om de nieuwe coronamaatregelen te omzeilen, zal ik er namelijk wat raar bij lopen. Ik wil jullie niet bruuskeren, maar reken toch op wat visuele vervuiling als je me de komende drie weken tegenkomt.  

Ik zal namelijk permanent rondlopen op loopschoenen en in die ene jogging die ik heb. Zo kennen jullie mij niet en dat kan in het begin moeilijk aanvoelen, maar het is al joggend dat ik van premier Wilmès nog mag buitenkomen, dus wees ook gewoon een beetje blij dat dit nog kan. Als we samen zijn, zal het hijgend zijn en met een lijfgeur, maar het zal zijn. Ik sta uitgeput maar innig aan jullie stoep.

Ik weet dat ik veel van jullie vraag, maar we moeten hier samen door. Ik hoop in onze vriendenkring hiervoor een draagvlak te vinden, maar beloof dat dag op dag te evalueren. Ik zal die stappen slechts doorzetten als jullie mee zijn. Wie het in tussentijd hiermee moeilijk heeft, kan terecht bij de opvang in de Steinerschool om hier op zijn eigen ritme mee om te gaan. Tenminste als jullie ouders zelf in geen opvang kunnen voorzien of actief zijn in de zorgsector.  

Weet: dit alles heeft best mooie kanten. Tegenover een flik die niet in mijn intervaltraining gelooft, zal ik je een vriend in nood noemen. Ik zal zeggen dat ik voor jou op weg ben naar de winkel. En ik maak dat voor jou ook waar: ik ga tegen tienen in de wachtrij voor de nachtwinkel staan en breng je een fles tequila en tortillachips mee. We zullen wel binnen moeten zitten want er is een samenscholingsverbod, maar met je ramen op kip valt dat reuze mee en bouwen we alsnog een feestje.

Nachtelijk joggen, daar lachen ze niet mee, dus moet ik blijven slapen. Ben je geen man: in hetzelfde bed, geloofwaardig essentieel. En laat het dan hartstochtelijk zijn. Lig ik er ’s morgens in jouw armen verslonst bij, naast kruimels croissant, mijn haar in de war? Er is geen nood. Joke, Joke, ik trek mijn joggingbroekje aan en loop naar de kapper, want dat blijft perfect legaal. In weken waarin het aankomt op leven en dood, weet onze regering dat je haar goed moet liggen. Als we sterven, dan in stijl.

Wel kom ik mogelijk verminkt uit het kapsalon. Bij fysiek contact met name, moet mijn kapper anderhalve meter afstand houden en met zijn handen van mijn gezicht en mijn haar blijven, dus vooroverbuigend, in een poging toch mijn haar te knippen, zou hij zijn evenwicht kunnen verliezen en mijn oog kunnen uitsteken. Ik vraag veel van je, maar ik weet dat je dit trotseren kan, vriendin, tegen dan toch mijn lief. Ook als eenoog hou ik van jou.

Ik zal terugkomen. Op donkere dagen haal ik je op met de wagen en gaan we samen tanken, want ook dat mag gelukkig nog. Logisch: hoe ga je zonder auto naar de winkel en de bank? En naar de post, voor essentiële postzegels?

Ik weet het, het worden vreemde tijden en je zult mij anders leren kennen. Maar we blijven elkaar zien, en ook intiemer en beter, in het aanschijn van de dood. Kan je dat ook zien? We blijven gewoon samen en het zal ons niets kosten. Boetes die een agent niet mag geven, zal ik niet spontaan betalen, ik beloof het je.

Kan jij me dan beloven dat je kan geloven dat niets echt anders zal zijn?

Liefs,

Johan  

Gij ziet er zo gemiddeld uit

Mijnheer Jambon, uw gezicht ziet zo grauw. Gij slaapt al lang bij de doorsnee Vlaming, ge begint d’r grijs uit te zien. Van den hond zijn vlooien. Uw tronie vertoont nog weinig branie, lijkt door fijn stof verteerd, uw subsidies hebt ge naar uw beeltenis geregisseerd. Wie gemiddeld is, krijgt centen, u volgt de voorkeur van de mediaan en hoeft maar in de spiegel te kijken.

Het wordt tijd dat u excelleert. Gij kijkt knorrig en alles wat gij bromt, klinkt mij vreemd. Geregeld gorgelen gemene klanken uit uw mond en wie u onderbreekt, ‘heeft niks te bepalen’. Gij zit verstikt in uw wereld, gij mist goei verhalen, warme vrienden bij de openhaard. Het gaat niet goed met u, gij zijt kwaad.

Ik zat te denken: gij moet meer buitenkomen. Neen, niet langs uw garage de auto in, naar uw kabinet en zijn parking ondergronds. Dat bedoel ik niet. ‘k Dacht meer aan een herfstwandeling, zuurstof happen, mensen zien. Of de tram nemen, bijleren, in steden standaardafwijkingen observeren, volk zien dat ge niet kent. De twijfel van moeders voelen aan defecte infoborden: gaan we te voet of wachten we op de bus? Geraakt de buggy op de tram? Voor dié jan en alleman moet gij oplossingen bedenken, empathie voelen, in twee donker ogen kijken. Ik ben zeker: het haalt uw hart uit een kramp. En komt er al damp uit uw oren bij die gedachte, ik zeg u: het zal u verzachten. Ik verklaar u beslist: onze miserie doet u deugd, het is exact wat gij nu mist: ons echt zien en terug iets voelen in uw lijf, dat oorlogsmachien. Straks weet gij niet meer wat gij wist en niet meer wat gij dacht. Wij zijn braaf en zàcht. Straks voelt gij u niet meer misdeeld, in een mum van tijd hebt gij hier uit geleerd.

Begin bijvoorbeeld bij mij. Ik vraag u: neem mij niet mijn hobby’s af, mijn concertjes, mijn avondjes Rataplan. In ben niks met u van plan. Ik ben ongevaarlijk, onschadelijk links. Ik kan u niet pakken, ik heb er de moed niet voor, ik krijg u nooit ingehaald. Mijn trein is te traag, stadsdiensten hebben mijn fiets van een paal gehaald, niemand kan zeggen waar hij staat, online is hij ergens tussen bureaucratische plooien verdwaald. Al een maand stap ik te voet van het station, kom thuis rond achten, da’s laat om nog te koken – als daar nog de afwas staat. Droog beddengoed hangt schouders laag tussen vier stoelen, het ruikt naar bolognaisesaus. Ik zet me neer, ik zucht, ik vlucht online. Bots op hard nieuws, uw botte tweet. En ik lees. Mijn tram zal minder rijden, mijn lucht nog meer vervuilen, mijn avondje cultuur moet nu in dogma’s passen en zonder ik het weet, zijn mijn buren me aan ‘t ontvolken. Het is tijd voor revolte. Maar ik mis de kracht, een Tinder-date heeft mij ontmatcht. Ik zal het allemaal maar laten.

Ook niet alles is uw schuld, mijn laatste lief heb ik zélf verlaten. Uren heb ik er over zitten praten, met trappist. Met dat mens was toch echt iets mis? Daar zijn we ‘t over eens. Wilde ik zo hard dat ik de tekenen niet zag? Was ze manipulatief, heb ik me laten doen? ‘Tot aan ons pensioen willen wij er met u over praten’, zeggen mijn maten, ‘maar dan alleen als gij uw aandeel hierin ziet. Gij zijt ni verniet, gedraag u ernaar, gaat staan. Met al die empathie, graaft gij uw eigen graf.’

We zakken af naar het theater, te voet en met de fiets – terwijl je er kan parkeren. Wij voelen ons zeker beter? Hoe elitair zijn wij wel niet? Ge wilt het zelfs niet weten: we kijken naar een monoloog, de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste artist. Maar mag het even? Daarvan moogt ge mij niet beroven. Hoe kan ik ooit geloven wat hij zegt als geen draad uit hemzelf vertrekt, als hij ‘speelt’ in plaats van ‘is’, als hij acteert naar gemiddeld publiek, noch vlees, noch vis?

Die gast was dertig, maar echt goed – hij gaat nu rond met den hoed. Hij had talent en lef. Hij toonde me zijn demonen, dat kwam recht mijne living in. Zijn lelijkheid was de mijne, hij deed me draaien op mijn stoel, hij hielp mij over een punt. Ik zat ineens naar binnen te kijken, dat was geen fraai gezicht. ‘k Zag flarden van mezelf, van haar, van hoe ik hautain zelfkritisch was en daarvoor erkenning wilde.

Ik ben erdoor – nu – die man hield mij een spiegel voor. Gelukkig zat hij niet naar schoonheid te streven. Daar heb ik me al genoeg op verkeken. The girl with the pearl earring? Die is altijd schoon, daar kunt ge eeuwen naar staren. Zo’n moordmachine? Daar hoef ik geen dubbele bodems in te zien. Maar weet ze me ook te raken, in het diepste van mijn ziel? Weet ze de couche eraf te schrapen? Die zit daar al een jaar of tien.     

Schoonheid, daarvan hebben we genoeg en we hebben er genoeg van. Reclame, tv, ik kijk er niet meer naar. Tot nader order, geen digicorder, en dat om nog een andere reden: wij moeten altijd excelleren. Het moet glitteren en blinken en indruk maken. Niet meer gaan voor een droom: chroom. Niet gewoon mogen wij kijken naar wat iemand doet, luisteren naar wat iemand vertelt, maar altijd moeten we elkaar de loef afsteken. Elkaar eraf rijden, tot in de finale. Belgium’s got Talent, Met Vier in Bed, de chiqueste wagen, huizen jagen.  

Ik pas voor het presteren, ga in een kroeg mijn vrienden eren. Ik ga, denk ik, om ter kleinste leven. In de kleinste zaal twee kaarsen branden, me er openbreken, de kleinste kuub in mij ontvouwen. En laten zien, aan warme vrouwen. Samen sneuvelen in de eerste ronde.  

We hebben niet door hoe fout we zijn

fabreWe zien niet meer wat seksistisch is. Zo ver zit seksisme in onze samenleving ingebakken. De voorbeelden zijn te talrijk en te verpletterend. Ik heb het niet over Harvey Weinstein, Bart De Pauw of Jan Fabre. Zij zijn niet meer dan de uitwassen van een collectief verwrongen beeld op (vooral) vrouwen en seksualiteit. De breedte van die systeemfout meet je niet door daders te tellen, wel door kranten te lezen. Het zit ‘em in opinies en redactiekeuzes.

Schijndebat

We zijn nog maar dag 0 waarop 20 dansers en danseressen (8 uit eigen naam, 12 anoniem) in een open brief een zeer pijnlijk boekje open doen over het gedrag van Jan Fabre op en naast de set van zijn theatergezelschap en de eerste getuige die het allemaal komt relativeren, staat al in de krant. We hebben te maken met slachtoffers sinds 1998, waarvan een aantal in therapie zijn gegaan. Zij hebben er mogelijk jaren over gedaan om naar buiten te durven treden en na een halve dag vindt een redactie het nodig om Geert Kimpen, een collega-danser die ‘enkele maanden’ onder Jan Fabre heeft gewerkt, op te voeren als een soort objectieve getuige, een tegengewicht, zeg maar, die komt insinueren dat het allemaal wel meeviel. Op redacties heet dat woord en tegenwoord: een danser die niet werd misbruikt versus dansers die wel werden misbruikt. Mensen die Fabre aanvallen versus iemand die hem verdedigt. Als dat geen eerlijk debat is!

Het is zo oneerlijk als de pest. Een oprecht tegenwoord zou komen van een danser(es) die helemaal hetzelfde heeft meegemaakt onder Fabre en dus weet waarover hij of zij het heeft en vanuit die gekwetste positie een aantal kanttekeningen aanbrengt en clementie vraagt voor Fabre (werkdruk, lichamelijk contact op de set, ‘het beste in de artiest naar boven halen’, enzovoort). Dàt is een eerlijk duel, maar zo’n getuige vonden ze niet en, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid: die bestaat niet. Dan maar gewoon een danser, dat komt toch al in de buurt?

Het is eigenlijk nog erger. Het werd een danser die eens één keer op de set iets meemaakte dat uiteindelijk wel meeviel en zo de eigen ervaringen van slachtoffers banaliseert. Schijndebat in het kwadraat. Geert Kimpen had Jan Fabre tegen zijn tegenspeelster wel eens horen zeggen ‘dat ze tegen hem op moest rijden tot hij een erectie kreeg’. De actrice had de tranen in de ogen, getuigt Geert Kimpen, en nam die avond ontslag. Kimpen vond het erg, maar tilt er niet al te zwaar aan (zie verder).

Die ene ervaring geeft hem in de krant en bij het lezerspubliek wel opnieuw een onterechte status van objectieve getuige die komt zeggen dat het allemaal wel meevalt met dat seksisme, terwijl deze ervaring gewoon zijn ervaring is en niets afdoet aan wat anderen hebben gevoeld. Het is als tegen je kind zeggen: ‘neen, die spruitjes zijn wel lekker’, gewoon omdat jij ze lekker vindt. Je eigen ervaring als norm nemen in de ervaring van seksueel misbruik van een ander, is onnoemelijk kwalijk. Een krant hoort daar niet aan bij te dragen. Toch zeker niet zonder commentaar of kritische vraag en ook niet op dag nul. De ruimte en de timing die Kimpen in de pers krijgt, is disproportioneel.

Bovendien is de ervaring van de tegenspeelster van Kimpen – hoe erg op zich ook – slechts een enkel en mogelijk lichter feit (al laat ik haar daarover oordelen) vergeleken bij de waslijst aan bezwarende feiten in de open brief: slachtoffers-dansers die geld kregen geboden voor seks, solovoorstellingen op hun buik konden schrijven als ze weigerden en dan vernederingen moesten ondergaan. En het is niet eens zij die in deze opinie spreekt, maar Kimpen zelf – een vrolijke koorknaap die zijn loopbaan naar eigen zeggen aan Jan Fabre heeft te danken. Is dat een journalistiek evenwicht?

Ik verwijt Geert Kimpen niets, want hij heeft de moed om een mening te uiten waarmee hij zich niet populair maakt en dit ter bescherming van zijn leermeester. Alleen daarom chapeau, en ook alleen daarom.

Verschillende kranten zouden voor een eerlijk debat moeten kiezen en Geert Kimpen tegen zichzelf en de samenleving moeten beschermen, maar laten dat na en voeden verwrongen denkbeelden in al onzer hoofden. Het doet denken aan de VRT die in Terzake Dries Van Langenhove opvoerde om het over transgenders te hebben, in een debat met Petra De Sutter, tegelijk chirurg en ervaringsdeskundige binnen dat terrein. Ook hij werd niet door kennis van zaken gehinderd en “kende wel wat transgenders die spijt hadden van hun operatie”. Het debat werd een pijnlijke beleving voor vele transgenders. Hetzelfde ervaren slachtoffers van seksueel misbruik ongetwijfeld met de passage van Geert Kimpen, die met eenzelfde deontologische laksheid werd gecast, op een heel verkeerd moment bovendien. Als er maar een debatje van komt, dan is het al lang goed.

Verwrongen denken

Het hele taalgebruik en de ideeën van Geert Kimpen duiden op een verwrongen beeld op vrouw, man en seksualiteit, op onderlinge verhoudingen tussen mensen, een mensbeeld dat vooral vrouwen overal om zich heen ervaren. Het is des te pijnlijker omdat Kimpen zelfs echt een poging doet, althans in zijn hoofd, om de zaken objectief te bekijken, maar zelfs bij verhoogde hersenactiviteit niet door heeft hoe fout zijn denken zit. Hij beseft zelfs dat hij bevooroordeeld is, maar dat besef helpt hem niet de zaken menselijk juist te bekijken.

Zijn eigen reactie op het voorval met (of zonder eigenlijk) de erectie is veelzeggend: “Ook mijn lichaam werd voor iets ingezet dat ik niet wilde en intimiderend vond. Maar we waren in een professionele context, omringd door anderen, hadden de vrijheid, als we voldoende assertief waren, om ‘nee’ te zeggen, en we hadden ons vrijwillig beschikbaar gesteld voor zijn extreme voorstelling.” Dus in een professionele context is misbruik oké en als je er niets tegen durft in te brengen, heb je het aan jezelf te wijten. Kimpen, en heel veel mensen met hem, nemen de daden van de dader als normaal voorkomend gedrag aan waarop het slachtoffer dan maar neen had moeten zeggen.

“Wat het een #metoo-moment? Ik weet het niet”, zegt hij nog. Het antwoord is eenvoudig: je tegenspeelster nam ontslag. Haar ervaring is de enige norm en al de rest telt niet. Maar neen, Kimpen spreekt liever over dansers die “zich al dan niet terecht gekwetst voelen”. Hoe iemand zich voelt, is hoe iemand zich voelt. Een gevoel kan nooit onterecht zijn.

En lees ook tussen de lijnen: ‘ik was er oké mee, dus dan is het oké’. Mensen nemen hun eigen pijngrens als de norm voor anderen.

Verderop schrijft Kimpen: “Een Fabre-acteur weet dat hij het uiterste van zichzelf zal moeten geven en moeten laten zien. Dat levert ook adembenemend theater op. Maar het is volgens mij geen #MeToo. Fabre vergrijpt zich niet aan je tijdens de repetities. Hij zit niet aan je en vraagt ook niet aan hem te zitten.” Dus pas als Fabre je bepotelt, is er sprake van seksueel overschrijdend gedrag? Bekijk ook de nood van Kimpen om de zaken te rationaliseren: “het is volgens mij geen #metoo”. Nog eens: het is niet aan jou om daarover te oordelen. Als iemand te ver is gegaan, is hij of zij te ver gegaan en als je onbewust een grens overschrijdt, dan vind je dat normaal gezien erg en bied je uitvoerig je excuses aan. Dat is de normale gang van zaken.

Kimpen verliest in zijn drang naar nuance helemaal de pedalen als hij zelf een voorbeeld aanbrengt dat moet bewijzen dat Jan Fabre wel hard was maar niet grensoverschrijdend. Kimpen was een keer in zwembroek gaan zonnebaden en verbrand geraakt terwijl hij de komende dagen een naaktperformance had. Fabre was razend geworden en had geroepen dat hij zijn piemel en zijn billen de komende dagen dan ook maar moest verbranden, anders leek het op het podium alsof hij een short aan had. Kimpen besluit dat dit niet seksueel overschrijdend was en daar kan ik helemaal in komen. Maar waar komt de behoefte vandaan om van daders een aantal momenten op te noemen die niet seksistisch waren. Wat doet dat ter zake? Omdat zijn gedrag niet altijd rampzalig was, is het allemaal oké? Dat heet niet nuancering, zoals De Standaard de bijdrage aankondigt, het is plat relativeren.

Fabre wordt in het stuk ook geëxcuseerd want hij “is geen heilige” (seksuele intimidatie is niet hetzelfde als een pint te veel drinken, Geert). En dan de dooddoener bij uitstek: “het past niet in deze #metoo-tijden”. Er zijn nog altijd miljoenen mannen (en iets minder vrouwen) die grensoverschrijdend gedrag de norm vinden en ‘overgevoeligheid’ als het nieuwste modeverschijnsel beschouwen dat wel weer zal overgaan. Een forum bieden aan mensen met deze redeneringen doe je niet lichtzinnig.

 

De MIVB wil maatschappelijk verantwoord ondernemen. Mag het even?

MIVBRedouane Ahrouch, voorzitter van de omstreden partij Islam en tevens buschauffeur in Brussel, werd door de MIVB ontslagen omdat hij publiekelijk pleitte voor verplicht gescheiden vervoer van mannen en vrouwen op de bus. Dat ontslag is voor mij de enige piste die de MIVB kon bewandelen.

Jogchum Vrielink, professor discriminatierecht aan de Université Saint-Louis – Bruxelles en vaste opiniemaker bij De Morgen, denkt daar anders over. En ook Groen-parlementslid Imade Annouri stelt op Facebook: “Ik vind de ideeën van Ahrouch compleet idioot en zal die met elke vezel ideologisch en politiek bestrijden. Maar iemand ontslaan louter en alleen voor zijn mening gaat net in tegen exact die normen en waarden die ik met elke vezel wil verdedigen.”

Vrielink en Annouri verdedigen de vrijemeningsuiting en zijn bevreesd voor de inmenging van de werkgever in het privéleven. De vrije mening is voor hen het hoogste goed. Maar de werkgever van Ahrouch lijdt wel imagoschado door hem in dienst te houden en dat mag je toch ook in overweging nemen.

Vrielink spreekt zich uit tegen “een ruimere ontwikkeling” waarin werkgevers mensen ontslaan wegens controversiële uitingen die ze doen als burger. Ik zie eerder een ruimere ontwikkeling waarin burgers, politici en professoren op tafel kloppen om onze vrije mening te verdedigen en discriminatie te bestrijden en de waarden die daarmee conflicteren dan maar opzijschuiven.

Zoals: het recht van een werkgever om binnen de grenzen van de wet mensen te mogen ontslaan als die het imago van hun organisatie ernstige schade toebrengen. Een buschauffeur die pleit voor segregatie van reizigers op zijn bus doet dat wel degelijk. Hij brengt het imago van zijn organisatie in gevaar. Of duidelijker gesteld: het bedrijf doet zichzelf de das om als het aan de samenleving zegt: ‘iemand die dergelijke ideeën verkondigt over onze dienstverlening, mag bij ons blijven’. Wees gerust dat het dan evenzeer felle reacties regent (en in mijn ogen terecht) van mensen die verontwaardigd zijn dat zoiets getolereerd wordt. Van organisaties die maatschappelijk verantwoord ondernemen hoog in het vaandel dragen, wordt verwacht dat ze daarnaar handelen. Ook dat vinden we een belangrijke waarde.

Ik vind het jammer dat Annouri en Vrielink dit niet in rekening brengen. Ze kiezen wel erg makkelijk één kant.

Een imago heeft er snel gelegen

De realiteit van de dag is dat de MIVB gewoon geen keuze had. Je kunt geen waarden als inclusie en algemene toegankelijkheid voor elke burger voorstaan en tegelijk één van je buschauffeurs de scheiding van mannen en vrouwen op de bus laten bepleiten. Je zou kunnen zeggen: ‘dat is maar één werknemer en die vertegenwoordigt de organisatie toch niet?’ Maar iedereen weet: zo werkt het niet met imago en reputatie. Als er ergens een geurtje opduikt, trekt dat over het hele bedrijf. Als de MIVB dit tolereert, is het kwaad geschied. Als ze zich er duidelijk tegen afzet, niet alleen in (makkelijk) woord, maar ook in moedige daad, dan blijft haar imago overeind of wordt het hersteld.

Een chauffeur die tegen de richting rijdt

Het is niet alleen een kwestie van imago. Je kunt ook niet voort met medewerkers die je gedachtengoed, je missie en waarden, met de voeten treden. De waarden van Redouane Ahrouch zijn flink in tegenstrijd met de waarden van zijn werkgever en dat is op zich genoeg reden om de samenwerking ernstig in twijfel te trekken en mogelijk te beëindigen. Met medewerkers die uitgesproken en met volle overtuiging tegen de richting rijden, is het weinig waarschijnlijk dat je ooit de juiste weg inslaat.

Ahrouch deed zijn uitspraken bovendien binnen de context van het werk, namelijk ‘de bus’. Hij had ook voor de scheiding van mannen en vrouwen in restaurants of sauna’s kunnen pleiten, maar dat deed hij niet. Hij drukte niet gewoon zijn mening uit, maar plaatste die bewust in de context van zijn eigen werk. Hij bracht daarin standpunten naar voor waar zijn werkgever geheel niet zou kunnen achter staan en dat had hij moeten weten of wist hij wel degelijk.

Een positief signaal naar reizigers en samenleving

Met het ontslag trekt de MIVB dus een lijn in het zand: ‘dit zijn wij niet, dit tolereren wij niet’. Ze redt haar imago naar buiten en beschermt de gelijkheid van man en vrouw onder haar medewerkers. Ze zet van haar missie de puntjes op de i en ik zeg: ‘voor zo’n bedrijf wil ik werken, met zo’n bedrijf wil ik reizen’. De organisatie geeft blijk van maatschappelijk verantwoord ondernemen, niet alleen in de letter, maar ook in de daad van dit ontslag.

Het is bizar dat een lid van Groen, een partij die al decennialang het thema maatschappelijk verantwoord ondernemen politiek naar zich weet toe te trekken, deze waarde zo makkelijk ondergeschikt maakt aan de vrije mening van het individu.

De moedwillige werkgever?

Ik maak de rekening van Groen niet en ook niet van Imade Annouri. De verdediging opnemen van iemand waarmee je het fundamenteel oneens bent, is ook een mooie deugd en een politieke zeldzaamheid.

Ik heb wel bedenkingen bij een uitspraak van professor Vrielink: “Pas op voor de overwegingen van die werkgevers. Men onderneemt doorgaans niet zozeer actie vanuit een betrachting van morele zuiverheid, maar veeleer om imagoschade te vermijden.” Ik vind dat de professor hier een intentieproces van de MIVB maakt. Is het belangrijk te weten wat er in het hoofd van de MIVB-directie omgaat als ze moreel het juiste doet en een daad stelt die overeenstemt met haar principes van maatschappelijk verantwoord ondernemen? Als je er dan van verdacht wordt dat het allemaal vals en fake is, tja, dan kan je natuurlijk nooit goed doen.

Bij je mening ook je lot dragen

Onze rechten kennen wij als het onzevader uit het hoofd, maar als het over verantwoordelijkheid en loyaliteit gaat, geven we minder graag thuis. Redouane Ahrouch mag zijn scherpe mening verkondigen en de wetgever verdedigt die, want Ahrouch wordt niet gerechtelijk vervolgd voor zijn uitspraak. Maar een mening verkondigen, is nooit een heldendaad op zich.

Een echte held maakt de afweging van de reikwijdte van zijn opinie en de mogelijke schade die die opinie aanricht aan de samenleving en de onmiddellijke omgeving waarin hij zich bevindt. Hij denkt dus ook aan de anderen en als hij beslist zijn mening door te zetten, aanvaardt hij de consequenties van die daad. Daaraan herken je de echte helden. Redouane Ahrouch bleek hier niet zo iemand te zijn.

Aan de plotse verdedigers van zwartepiet

Beste hyperverdediger van zwartepiet,

Eerst en vooral wil ik zeggen dat ik je niet als een racist zie omdat je zwartepiet verdedigt. Ik gebruik bewust het woord racisme niet, want wat is dat eigenlijk? Ik associeer racisme met bewust neerkijken op een ander – al dan niet geuit. Zwartepiet is ooit ergens opgedoken, wij zijn ermee opgegroeid en we zagen hem als een lollige grapjas of soms een kwaaierik waarvoor je moest oppassen en zeker een heel jaar braaf moest blijven. Het is bijna niemand aangeleerd dat dat een zwarte, onderdanige knecht is.

Het probleem is dat zwartepiet wel degelijk een onderdanige knecht is. De focus ligt er niet op, het is onze bedoeling niet, maar het beeld komt wel jaar in jaar uit op ons netvlies terecht. Als Bacardi voor haar drank reclame maakt met een wulpse vrouw in schaarse kledij, ben ik ervan overtuigd dat het niet de bewuste bedoeling is van Bacardi om vrouwen als lustobject voor te stellen, maar als die affiche voor mijn deur hangt, denk ik wel permanent aan seks terwijl ik aan drank zou moeten denken. En daar gaat het om, de voortdurende infiltratie van beelden op je geest. Precies omdat het hier om een feest voor kinderen gaat, lijkt het mij gezond en nodig om die link tussen zwart zijn en volgzaamheid voorgoed door te knippen, want kinderen zijn een leeg vat en wat wij er in gieten, is hoe ze er gaan uitzien.

Dus pleit ik minstens voor roetvegen, al vind ik het duidelijker om ook de kleding en de oorbellen weg te nemen. We kunnen toch wel creatief genoeg zijn om met een alternatief te komen? Iemand stelde de smurfen als hulpjes voor, dat zou nog eens geestig zijn.

Ten tweede zijn we in een samenleving waarin we doorgetrokken voor gelijkheid kiezen vrij slecht bezig als we ons gevoel rond zwartepiet gaan opleggen aan anderen. Wij voelen er vrolijkheid en een feestje bij, dus dan moeten Afrikanen het ook maar plezant vinden? Wat voor een samenlevingsmodel is me dat? Als jij je buurman een bijnaam geeft die hij niet kan waarderen, ga jij dan koste wat het kost die bijnaam blijven gebruiken omdat je hem zelf sympathiek bedoeld hebt? Neen, dat doe je niet. Je past je aan zijn wensen aan. Het zou dus fatsoenlijk zijn om rekening te houden met de gevoeligheid van anderen, zeker als die niet compleet uit de lucht is gegrepen (oorbellen, dikke lippen, onze geschiedenis in Congo,…). Als de piet echt door de schoorsteen kwam, dan zou hij trouwens eerder roetvegen hebben dan glimmend tot achter zijn oren zwart zien, niet?

Als je zegt dat alles bij het oude moet blijven omdat “wij” (de blanken bedoel je allicht – daar begint het al) dat gewoon zijn, dan sta je geen millimeter open voor de gevoeligheid van zwarten en minderheden in dit debat. Dat is niet zo bedoeld omdat jij ‘ons erfgoed’ verdedigt ‘dat wordt aangevallen’, maar dat maakt weinig uit. Door niets te willen veranderen aan hoe alles is, heb jij gezegd dat de ander zich moet aanpassen.

Je vindt dat dat ergens mag omdat jij als toerist je schoenen uittrok in een Turkse moskee, maar je vergeet te bedenken dat zwarten hier uit respect ook niet beginnen te zingen in jouw parochiekerk én, vooral, dat zij hier geen toerist zijn maar evengoed hun leven hier mogen uitbouwen als jij, met elke godsdienstvrijheid en vrijemeningsuiting die daarbij hoort. Je stelt het voor alsof zij zich op geen enkel terrein aanpassen (“ze moeten dit nu ook maar eens voor ons doen”), maar in de vele kleine gewoontes die wij in België hebben, moeten zij zich permanent aanpassen. Alles is hier ongeveer anders. Vraag jij aan deze mensen dat zij naast al die kleine aanpassingen (die je au fond al niet erkent) ook nog eens aanvaarden dat zij worden beledigd en vernederd door verwijzingen naar de verschrikkelijkste periode uit hun geschiedenis?

Je stelt Piet en Sinterklaas voor als een feest voor elk kind. Maar op een feestje voor alle kinderen, denk je ook echt aan àlle kinderen. En in een feestje dat iedereen mee organiseert, mag iedereen een inbreng hebben. Wat jij voorstelt, is een feestje waarvan alleen jij de regels oplegt en dat ik plezant moet vinden of moet opkrassen. Gezellig! Er zullen niet veel mensen met een migratieachtergrond naar je feestje komen.

Je zegt ook dat een pleidooi voor roetpieten mensen racistisch maakt. Daarmee zeg je dat het normaal is dat we mensen gaan haten wanneer ze, enkel in woord en debat, opkomen voor hun mening en gevoelens. Dat is net hetzelfde als tegen je dochter zeggen dat ze op de dag van haar verkrachting een te kort rokje droeg, zegt schrijfster Maartje Luif terecht. Een paar uur geleden had de leuze ‘Relschoppen op een kinderfeest is erger dan racisme’ 5000 likes. Mensen die tegen de gevestigde waarden ingaan, zijn dus relschoppers?