Big Eyes

Je schildert wereldbefaamde schilderijen, maar je man zet er zijn naam op en maakt grote sier. Het is wat Margaret Keane overkwam in de jaren vijftig. Tim Burton brengt haar opmerkelijk verhaal in Big Eyes. Hij tekent een relatieportret van afhankelijkheid en manipulatie, in de mannenmaatschappij van de jaren vijftig.

Geen true story schetst beter de onderdanige positie van de vrouw in de jaren vijftig dan dat van Margaret Keane, geboren in 1927 als Peggy Doris Hawkins. Deze modeste huismoeder heeft na de scheiding van haar eerste man geen ervaring om op terug te vallen en verkoopt noodgedwongen haar schilderijtjes van kinderen met grote ogen. Uit het niets duikt dan Walter Keane op, die Margaret en haar dochter zekerheid kan bieden. Het tweetal trouwt en Walter weet met veel charisma het werk van Margaret aan de man te brengen. Hij doet dat “uit strategische overwegingen”onder zijn naam, hij is immers een man. Het geld begint binnen te stromen en niemand kan nog terug. Vogeltje, gij zijt gevangen, in een gouden kooitje zult gij hangen.

Bravo voor de perfecte casting in Big Eyes! Amy Adams is als Margaret onnoemelijk frêle en naïef, wie een greintje reddercomplex in zich draagt, wil meteen gaan knuffelen. En dan Christoph Waltz… Wat een heerlijk charmante rotzak is dat toch. Hij bedriegt je waar je bijstaat, maar je kan er niet kwaad op zijn. Zijn rol als Walter luistert nauw bij die van nazist Hans Landa in Inglorious Basterds van Quentin Tarantino, waarvoor Waltz de Oscar voor Beste Mannelijke Bijrol kreeg.

Veel nuance in de karakters legt Tim Burton niet, maar op een vreemde manier stoort dit nooit. De vlugge schetsen houden een vaart in de film die past bij het tempo waarin Margaret om de tuin wordt geleid. De eenzijdigheid geeft Waltz ook alle ruimte om zijn cabareteske kunnen tentoon te spreiden. Hij is zo innemend dat de kijker zich vol bewondering zit te vergapen.

Tim Burton weet van een diepmenselijk drama dan ook een frisse prent te maken, met veel gevoel voor humor, ritme en compassie. Het verhaal zit vol zwier en de kostuums en beelden zijn heerlijk warm en jaren vijftig. Waren de feiten niet zo bitter, je zou je in een sprookje van Wes Anderson wagen, stijl Moonrise Kingdom.

Net als het tempo, passen ook de feeërieke kleuren bij het verhaal. Een verhaal waarin de schone schijn moet worden opgehouden en een jonge vrouw een kwartfilm in een droom gelooft. Tim Burtons maskerade is geheel gepast.

Big Eyes is naast menselijk drama een luide kritiek op praatjesmakers die lucht verkopen, in een samenleving die niet verder dan de verpakking kijkt. Waarin blote tieten en sensatie meer likes en hits opleveren dan bedekte, diepere inhoud. Tim Burton is nog altijd wakker.

D’Ardennen

Een mega-John wil zijn Marina terugwinnen. Hij kent helaas niets dan simpele praat en bruut geweld en rijdt zichzelf de afgrond in. Robin Pront schetst in D’Ardennen de noodlottigheid van luide, kleine aardkloten waarrond de technobeat nooit verstilt. Die vrezen dat hun adem stokt als ze kwetsbaarheid tonen. Die de impact van een rustig gesprek niet kennen.

D’Ardennen draait om Kenny (Kevin Janssens) en zijn broer Dave (co-scenarist Jeroen Perceval). Bij een mislukte overval weet Dave te ontsnappen, maar raakt Kenny geklist. Hij weet te zwijgen en belandt in de cel.Wanneer Kenny jaren later vrijkomt, weet hij niet dat zijn ex-liefje Sylvie(Veerle Baetens) een relatie heeft met zijn eigen broer en probeert hij haar uit alle macht terug te winnen. Sylvie noch Dave willen terug naar een duisterverleden, maar Kenny sleurt hen mee in een spiraal van haat, wraak en geweld. 

Spelen met contrast

Regisseur Pront trekt in deze debuutfilm meteen alle registers open en toont zijn eigenheid. De jongeman valt voor geen gat te vangen en speelt voornamelijk contrasten uit. Een contrast in beeld en kleur,wanneer hij een knalrode opgefokte johnenbak langs grauwe grijzemuizenhuizen parkeert of door groene bossen laat rijden.In geluid, wanneer hij met technobeats eenzaamheid en angst doet verstommen. In filmlocaties, wanneer hij pas het tweede deel van zijn prent naar “d’Ardennen”verlegt en in zijn eerste deel de achterkant van Antwerpen laat zien. Die Antwerpse kant loopt niet langs terrasjes met chai latte maar langs kasseien met verloren gras aan het Albertkanaal, enkel met de Vespa te bereiken, een Redbull in de hand.

Pront laat zich pas helemaal gaan wanneer hij ook in stijlen verhaal een breuklijn trekt tussen Antwerpen en de Ardennen. Deel één is een klein sociaal drama over de uitzichtloosheid van twee verloren broers, deel twee eerder megalomaan openluchttheater met acteurs die vooral groot spelen. De opgekropte frustratie en woede van twee broers, de mix van haat en liefde tegenover elkaar, knallen nu eenmaal beter in weidse bossen dan in een benepen rijhuis.

De verbeelding en symboliek krijgen in dit tweede deel ook geheel de vrije loop. Plots duikt daar Jan Bijvoet op, die ook nu weer op zijn best is als de doorgedraaide creep die hij ook al in Van Vlees en Bloed, Dirty Mind en Borgman zo geweldig vertolkte. Sam Louwyck is een travestiet met een gevaarlijk kantje en er lopen bij momenten nogal ‘opmerkelijke dieren’ in beeld, laat ons maar zeggen. Onze antihelden worden bepaald door de wispelturigheid van het lot getroffen en trekken alle onheil over zich heen. The Coen Brothers lijken soms niet ver weg, maar de humor haalt het in D’Ardennen niet van het macabere.

Het mag verfijnder

Het meest nog doet Robin Pront denken aan Nicolas Winding Refn en zijn neo-noirs Pusher, Drive en The Place Beyond the Pines. Ook daarin komen goedbedoelende maar wat hulpeloze kerels in een spiraal van geweld terecht, in een streven naar een eigen plek en wat liefde, het was hen nooit gegund. Ook Refn speelt grootstad tegen natuur uit, legt kwetsbaarheid temidden een boze wereld, mengt vuur en zonlicht door doffe kleuren en laat zijn helden met verlies achter.

Robin Pront haalt het niveau van Refn voorlopig niet. Hij heeft verstand van beeldwerk, maar zijn prent mist nog wat poëzie. Zoals in elk goed gedicht ligt ook in films die poëzie in tempowisselingen, in onderbrekingen, in een noot die eens anders klinkt en toch weer in het verhaal past. Deze beloftevolle regisseur weet geweldig te variëren in beeld en stijl, mixt moeiteloos genres. In de dialogen, in de karakters van de personages, zit helaas veel minder variatie.

Pront zet die karakters glasscherp neer en de vertolkingen zijn – vooral die van Janssens – uitstekend, maar de acteurs krijgen weinig ruimte. De Johnen verkopen alleen maar Johnenpraat, hebben Johnennamen en dragen Johnenkleren en –kapsels. Ze zijn luid en nooit eens lief. Ze hebben het over makakken en Jean-Claude Van Damme, het is al te simpel. De Marina werkt in een discotheek, zijzelf in een garage.

Ze hebben een baas (een karikaturale Peter Van den Begin) die hen doet oprotten bij de eerste fout. Dit soort pech moet aantonen dat ‘sommige mensen in een straatje zonder eind zitten’. Dat geloof ik meer als de tegenstand vanuit de omgeving subtieler en doortastender is  (FishTank – Andrea Arnold, The Selfish Giant – Clio Barnard), Kenny krijgt in wezen alle kansen.

Robin Pront maakte met D’Ardennen een prent die inslaat en indruk maakt. Hij weet zijn eigen stempel te drukken en een boeiend verhaal neer te zetten (met dank ook aan Perceval). De hoofdlijnen zitten meer dan goed, in de zijverhaaltjes mag hij nog franjes en vertedering aanbrengen.   

Paradise Trips

Hondstrouwe buschauffeur Mario heeft nog maar net zijn schup afgeveegd, als hij een allerlaatste klus aanneemt. Hij rijdt een bende feestvierders naar een technofestival in Kroatië. Tussen de hippies die hij veracht, duikt zijn eigen zoon op, het langharig werkschuw tuig met wie hij al jaren overhoop ligt. Regisseur Raf Reyntjens bedacht een theatrale setting om het conflict tussen een principiële vader en zijn argeloze zoon scherp te stellen. In Paradise Trips moeten ze allebei inleveren, maar daar worden ze rijker van.  

“Je moet leven naar je waarden, niet naar principes.” Dat zei mijn moeder ooit en gelijk had ze. Principes lopen langs vaste lijnen en laten geen speling toe, terwijl het dagelijks leven aaneenhangt van de uitzonderingen. Je moet kunnen afwijken van je regeltjes, dan pas leef je waard-ig. Mario (Gène Bervoets) had die woorden duidelijk niet begrepen, zijn stijfkoppigheid leidde tot een harde breuk met zijn zoon, ver voor dit verhaal begint. 

Ieder zijn koppigheid

Veel punten voor de openingsscène van deze prent. Mario zit nors in een bompazetel en wacht tot zijn vrouw zijn eten toeschuift. Buiten zien we de regen met bakken neerslaan op een bus met opschrift Paradise Trips. Die ironie slaat op grijs België, maar zeker ook op Mario zelf. Met zijn bus kan hij naar de einder reizen, zijn blik over obstakels hijsen, maar hij ziet enkel uitgesleten wegen en volle witte lijnen waar je niet overheen mag, borden met snelheidsbeperkingen. Hij zal nooit te hard rijden en dat is misschien mooi, maar saai is het zeker. Zijn passagiers vindt hij schoffies, op de bus speelt hij zijn muziek. Niks contact, al zijn kansen verkeken. In zijn wit hemdje en stropdas verstrikt.  

Zoon Jimmy wijkt in alles van zijn vader af. Hij gaat trippen op techno en goa, draagt dreadlocks, opzij weggeschoren. Hij mediteert in zijn ouwe mobilhome, verbiedt zijn zoon Coca-Cola en al die andere ‘kapitalistische shit’. Je scherper afzetten kan haast niet en Raf Reyntjens schuift ook bijna uit over zijn twee karikaturen. Maar hij blijft meesterlijk overeind omdat de tegenstrijdigheid die hij neerzet, slechts schijn is. Ondanks alle uiterlijke verschillen gedraagt zoonlief zich namelijk net als zijn vader. Even principieel, even koppig en agressief, maar dan gewoon aan de andere kant van het continuüm.  

Waarheid in het midden

De waarheid ligt in het midden. De kijker ziet hoe Mario zich in zichzelf keert en zijn leven verarmt, maar voelt ook warmte voor deze vastberaden doorzetter, het plichtbewuste werkpaard. Zoon Jimmy lijkt luchtiger in het leven te staan, maar zijn nonchalance slaat helemaal door. Zijn eigen zoon Sunny groeit op tussen partygangers op een gore camping en zit zich alleen maarte vervelen met zijn computergame. Super Nintendo Mario Bros is zijn enige kameraad.

Ergens weten beide werelden elkaar aan te raken en dat maakt van Paradise Trips een ware parabel, wat ‘een symbolisch verhaal over de juiste manier van leven’ is, vaak‘met een simpele verhaalstructuur’. Zo is het. Paradise Trips moet het niet van vernuftige dialogen hebben, ook niet van pakkende emoties, Reyntjens houdt je op een afstand, gebruikt wat geestige beeldtaal en visuele ideetjes, maar richt je blik vooral op de naakte boodschap. Eentje die vaders en zonen moeten inzien, maar die helaas weer sneller door moeders en dochters begrepen zal worden. Waarop zij dan zuchten.   

Whiplash

Een tirannieke muziekdocent drijft een drummer voorbij het uiterste in Whiplash. Zijn pupil bengelt tussen een harde wereld die naar de sterren leidt en een slappe omgeving die zijn ambitie niet begrijpt. Regisseur Damien Chazelle maakt een prent die knalt van het kruit en verder reikt dan de thema’s pesten en volharding.

Whiplash opent dreigend met een zwart scherm en een drumsolo in crescendo. Vlak daarop zien we een drummer in een schel verlicht achteraflokaaltje, aan het eind van een lange gang. Meteen sterke beeldtaal: hier zit een jongeman vol ambitie die tot de kleine uurtjes doorspeelt, ver weg van disco of snackbar. De 19-jarige Andrew Neimann (Miles Teller) is eerstejaarsstudent aan een hoog aangeschreven conservatorium en vastberaden om het tot Charlie Parker of Buddy Rich te schoppen.

In dezelfde scène zit de gereputeerde muziekdocent Terence Fletcher (J.K. Simmons) verscholen toe te kijken. Hij daagt Andrew meteen uit om het beste van zichzelf te geven en duwt hem even snel duimbreed neer in het hoekje waar hij zat. Het duel is ingezet, de spelers staan paraat, Whiplash wordt van hieraf verder ontkurkt. Damien Chazelle houdt de vaart erin, brengt het nieuws vooraan. Hij lijkt wel een journalist.

Daagt een harde aanpak uit tot persoonlijke groei? Tilt ultieme vernedering ons op een hoger niveau, zijn zoete wraak en faalangst de juiste drijfveren? Worden we slap als iemand zegt: ‘dat heb je goed gedaan’?  Die vragen schotelt de 29-jarige Damien Chazelle ons voor en hij laat als een volleerd dramaturg de antwoorden in het midden. Ouders met uiteenlopende visies op opvoeding hebben een vette kluif aan dit zinderende Whiplash.

De prent leunt dicht aan bij Black Swan van Darren Aronofsky (2010), waarin ballerina Natalie Portman een al even tirannieke dansleraar moet trotseren om de top te halen. Toch gaat het in die prent meer over machtsmisbruik en seksuele intimidatie door een leraar op zijn pupil, in één richting. In Whiplash zit de relatie tussen Fletcher en Andrew complexer in elkaar. Het is een lange partij armworstelen waarin de verhoudingen beurtelings kantelen. Adoratie en afkeer vechten om voorrang. Wie heeft wie nodig, wie houdt wie onder de knoet, is de liefde groter dan de haat?

Chazelle maakte ook meer dan een film over pesten en educatieve waarden. In essentie gaat Whiplash over eenzaamheid en niet begrepen worden. Andrew bulkt van het talent, maar zijn familie doet meewarig over het belang van muziek. De fanatieke Fletcher kan hem uit die duffe wereld trekken, maar ook recht de hel in. Hij vormt een gevaarlijk baken van vertrouwen.

Whiplash lijkt even te bezwijken onder overdrijving en drama, maar houdt uiteindelijk stand en zet de kijker aan het denken. De muziek en de helse montage van drumritmes en grimas zijn verbluffend. ‘Goed gedaan, Damien Chazelle.’ Of zeg ik dat beter niet?

Whiplash

Still Alice

Een hoogleraar letterkunde krijgt te horen dat ze vroegtijdige alzheimer heeft. Met die synopsis zet je je schrap voor een aftakelingsdrama vol meelij, maar regisseurs Richard Glatzer en Wash Westmoreland houden het hoofd rechtop. Still Alice is een ode aan de volharding en de waardigheid. Aan jezelf blijven, om het even wie.

Je kan natuurlijk mikken op de makkelijke traan. Zet een camera op het hoofdpersonage en laat ze scène na scène aftakelen, breng familieleden rond het sterfbed en doe hen handjes knijpen, monteer er flashbacks uit betere tijden op. Miljoenen bioscoopgangers zullen verdrinken in een tranendal en je haalt de weekendfilm.

Gelukkig gaan Glatzer en Westmoreland resoluut voor de secundaire emotie en je ogen worden er even nat van. Raak je door hun film bewogen, dan is het om de volharding waarmee Alice (Julianne Moore) overeind tracht te blijven, de trucs die ze bedenkt om haar geheugen te oefenen, de toertjes die ze gaat joggen om fit te blijven en zo ook haar geest te voeden. Het roeien tegen een vernietigende modderstroom. Het is niet de aftakeling van Alice die betrokkenheid wekt, wel haar kracht om er tegenin te gaan. Die keuze van de regisseurs is niet alleen filmisch interessanter, maar brengt ook meer eer aan dementerende personen. Mensenrechtenorganisaties voor mensen met een beperking of ongeneeslijke ziekte hebben er een voorbeeldfilm bij. Hier staat de mens centraal, niet de ziekte.

Je kijkt mee in het hoofd van Alice. Dat is voor een groot deel te danken aan de verbluffende vertolking van Julianne Moore. Zij weet de overlevingsdrang, maar ook de woede, de frustratie en de hulpeloosheid waarmee ze kampt, met finesse en dosering neer te zetten. Een korte scène waarin ze haar dochter niet meer herkent, is van een onpeilbare klasse. Moore werd begrijpelijk met een Oscar onthaald.

Toch doet ook de cinematografie haar deel van het werk. Als Alice tijdens het joggen de weg kwijtraakt, zien we de camera om haar heen tollen, je leeft mee in haar radeloosheid. Op weg naar een receptie na een theatervoorstelling, wordt Alice in de rug gefilmd, de mensen rondom haar worden wazig weergegeven, stemmen klinken rumoerig en bedreigend. Je voelt haar angst om en plein public af te gaan. “Ik wou dat ik kanker had”, zegt ze daarover.

Kritiek die je kan geven, is dat Still Alice weinig conflict in zich draagt. We zien slechts gering hoe de ziekte een partnerrelatie ondermijnen kan, Alices man John (een prima Alec Baldwin) blijft toch voornamelijk begripvol. Zijn angsten blijven buiten beeld, alsook zijn mogelijk verlangen naar groener gras.

Toch kent Still Alice een uitstekend zijverhaal, langs de spanningen tussen de kinderen van Alice en John. Het is aan de keukentafel op geen moment een happy family, ze komen samen omdat het moet. De spanning en tegenstellingen zitten in details verscholen, de kijker verstikt mee in de krappe familiekring. Heerlijk sarcastisch en echt. Glatzer en Westmoreland lijken bij momenten wel Deense cineasten – denk aan Festen, Brothers, The Legacy.

En dan is er nog Kristen Stewart. Ze heeft een kluif aan een moeilijke bijrol, als dochter van Alice, maar zwaait af met brio. Ze vertolkt tegelijk liefde voor haar moeder en onderdrukte irritatie,schijnbare nonchalance en groots engagement, angst en overgave. Gebald in een kleine rol, maar geheel geloofwaardig. In een memorabele slotscène tussen Stewart en Moore zit er wel heel erg veel talent op één plekje sofa.        

Cobain: Montage of Heck

Kurt Cobain was gevoelig, authentiek en trouw, en afwijzend tot razend op al wie dat niet was. Met de rockumentary Cobain: Montage of Heck kan je daar moeilijk naast kijken. Het materiaal waarvan regisseur Brett Morgen zich bedient, is indrukwekkend. De familie Cobain leverde hem unieke dagboekfragmenten, tekeningen en video-opnames.

Deze Cobain-film is luid en dat ligt niet aan de grunge van Nirvana. Brett Morgen heeft ongetwijfeld met de handen in het haar gezeten toen hij al het ruw materiaal voor zijn film bij elkaar kreeg. Te veel om mooi te zijn en voor de regisseur was het duidelijk moeilijk kiezen. Hij maakt een drukke film met snelle montages uit dagboeken, tekeningen en brieven van Cobain en vult die aan met verrassende video-opnames van Cobain als kleuter en van zijn liefde met Courtney Love. Daarbij nog eens animatiefilmbeelden van Kurt en interviews met Courtney, met zijn ouders en met bassist Krist Novoselic (Dave Grohl komt niet aan het woord).

Die amalgaam maakt licht misselijk, maar is ook indrukwekkend en allicht bewust. Met de duizeligheid die de kijker voelt, komt hij het dichtst in de buurt van de rommelbovenkamer die het brein van Cobain moet heten. Uit elke prent die Kurt Cobain tekent, uit elke dagboekzin die hij neerschrijft, spreekt een verpletterend bewustzijn. Hij is de hele tijd aanwezig in het leven, slorpt alles op. Zijn ratio is zo sterk dat zijn gevoel niet kan volgen. Veelzeggend is de reactie van zijn moeder toen zij op een cassette in huis voor het eerst de plaat Nevermind hoorde: “Ik was bang. Ik zei: ‘Dit gaat alles veranderen. Zet je maar schrap, want hier ben je niet klaar voor.’”

Cobain werd verteerd door angst voor verlatenheid en afwijzing, was er als de dood voor om zich belachelijk te maken. Zijn ouders en zus noemen hem een lieve jongen, altijd bezorgd om anderen, die geleidelijk ontgoocheld raakte en zich niet begrepen voelde. Niet in het minst door de scheiding van zijn ouders en het verplicht verhuizen van moeder naar vader, naar wie dan ook, omdat hij zo hyperkinetisch en onhandelbaar was (en nog meer werd). 

De verwerping, de verbreking van de harmonie, maakte Cobain furieus. Die furie kon hij kwijt in zijn muziek en een hele jongerengeneratie herkende zich erin. Hij had de pest aan interviews en opgeblazen krantenartikels over zijn (steengoede) band. Hij wilde de muziek voor zich laten spreken. De constante aandacht, de persperversies: Cobain kon het niet aan. “Nirvana is oprecht. Er is niks pretentieus aan”, zo zegt een fan het. Zo is het. En Kurt werd kwaad op al wie het niet was.  

Voor een echte muziekdocumentaire zit je beter met de uitzending Classic Albums: Nirvana Nevermind, ooit uitgezonden op Canvas. Brett Morgen maakt geen ontleding van songs, legt niet uit hoe die één voor één tot stand zijn gekomen. Uiteraard is de film doorspekt van Nirvana-hits, met ‘Oh Me’ prachtig gemonteerd op beelden van kleuter Kurt, een a-capellaversie door een koor op de clip van Smells Like Teen Spirit (kippenvel!) en het rauwe My Girl op MTV Unplugged. Maar Morgen focust op Cobain en zijn zoektocht naar echtheid, zielsverwanten en de liefde. Alles is liefde. We geven u al een kattenbelconversatie tussen Courtney en Kurt mee. De rest moet u zelf consumeren.

Kurt: “Courtney, ik schaam me niet om te zeggen dat ik van je hou en niemand kan me ooit van gedachten doen veranderen. Dankzij jou durf ik een man te zijn en met jou te pronken. Samen kunnen wij lepels buigen. We zijn als zwart roet dat van een graf geveegd wordt.”

Courtney: “Kus me, knappe dichter, geweldig neukbeest. Laat me voor altijd bij je zijn. Ik hou meer van je dan van m’n moeder. Ik zou Christus voor je aborteren. Ik maak mezelf ellendig om jou gelukkig te kunnen maken.”

Les héritiers

In een Parijse middelbare school is één klas behoorlijk opstandig, de leerlingen weten zich met hun lijf geen blijf. Tot hun lerares hen warm maakt voor een nationale wedstrijd om jonge slachtoffers van de Holocaust te herdenken. Plots zien zij zich gespiegeld in anoniem leed en vinden ze hun identiteit. Les Héritiers gaat overhoop, zingeving en geloof in eigen kunnen. Die mix wordt ontroerend geserveerd.

Wie fan was van het indrukwekkende Entre Les Murs (2008) van Laurent Cantet, zit gebeiteld met deze even realistische prent van Marie-Castille Mention-Schaar. Zij verlegt de aandacht van het conflict tussen leerkracht en leerlingen naar de gevoelswereld van de jongeren. We zien subtiele gezinstafereeltjes. Een onhandelbare leerlinge (Noémie Merlant) die je een klap voor haar kop zou geven, zien we ’s avonds in een kring rond haar moeder lege bierflesjes rapen. Haar klasgenoot (Ahmed Dramé) zien we op Youtube Denzel Washington imiteren. Hij wil wel acteur worden, maar hoe daaraan te beginnen? Hij zucht en houdt het erbij. Door een klas waaien duizend dromen, gedachten en frustraties. Natuurlijk botsen die. Mention-Schaar tekent haar pionnen uit langs filmische details en je weet meteen dat je naar een slagveld kijkt. 

Slim ook van de regisseur om de geheimen van de personages pas geleidelijk vrij te geven. Aan het begin van de film leren we de klasgroep kennen, pas later komt het individu in beeld. Die filmische keuze past bij de verhaallijn: hier zitten twintig leerlingen vol hormonen en verwachtingen tegen de grote anonimiteit te vechten, tegen niemand zijn in een groep, tegen de gedachte een stip te zijn in het heelal. Wie houdt zich in al die vergankelijkheid bezig met namen van historische volkeren of hoofdsteden, met de bouwstijl van een kerk? Het kan hen allemaal verdommen en het lerarenkorps deelt in de klappen. Wanneer we de camera de lange wandeling van lerares Anne Gueguen (Ariane Ascaride) zien volgen, tussen leraarskamer en klaslokaal,voelen we die helemaal mee als een helletocht.

De prent wordt echt boeiend wanneer de leerlingen zich voor een nationale wedstrijd moeten gaan inleven in jonge slachtoffers van de Holocaust. Het maakt hun medeleven wakker en ze voelen iets om voor op te komen. Mention-Schaar toont met heel veel gevoel hoe zij zich herkennen in de overlevingsstrategie van de slachtoffers. Het lastigste kwajoeng breekt als ze leest hoe ook een kind in de concentratiekampen overleefde op brutaliteit. Prachtige vondst van de regisseur.

Les Héritiers is een fijnzinnige film. Hij doet soms wel wat braaf en voorspelbaar aan. Er mochten wat meer weerhaakjes aan zitten.

The Selfish Giant

De hyperkinetische Arbor Fenton (Conner Chapman) groeit op in een armtierige Britse wijk waarin alle straatjes naar de toekomst doodlopen. Met zijn vriend verkoopt hij schroot aan een vrekkige handelaar, om letterlijk de meubelen te redden. The Selfish Giant toont de blanke pit in een jongetje dat veel te snel een ruwe bolster moest worden. Dit verhaal over een noodlottige vriendschap laat je niet onbewogen.

Je groeit op zonder vader, met een werkloze moeder en een drugsverslaafde broer. In een éénkamerhuis met een voortuin die je herkent aan het verzameld afval, geen geld voor een bloempje aan het venster, alles grijs. Ben je nog niet hypernerveus, dan word je het wel. Het gebrek aan perspectief doet kale muren oplopen. Arbor zit gevangen in zijn brullend lijf dat geen kans op uitbreken ziet. In de grauwe straal rond een kerncentrale blijven alle lichten uit.

Regisseur Clio Barnard is niet het romantische type, ze gaat recht op de viezigheid af. De vuilbekkerij, de lelijkheid, de ongegeneerde uitbuiting van kinderen die geen andere keuze hebben. De grote klasse van The Selfish Giant is dat je compleet vergeet naar een film te zitten kijken. Het vereist een portie verbeeldingskracht om achter da manneke nog een acteur te zien die mogelijk een zijstreep of eens een hemdje draagt. De uitzichtloosheid overmeestert je als kijker totaal, gooit al zijn netten over je heen. En laat Barnard je even vrij uit de beklemming, dan doet ze dat haast gemeen, met stilteshots – een lege wei voor de torens van een kerncentrale – als slotzinnen van een treurgedicht. Met één boodschap: voorbij het nergens ligt er niets.

Toch is The Selfish Giant meer dan een miseriefilm, daarvoor zit er onder koper, lood en zink te veel poëzie verscholen en niet-recycleerbare vriendschap. De kleine, drukke Arbor is de tegenpool van zijn mollige, grotere buurjongen Swifty (Shaun Thomas). Hij moet bijtrippelen om hem op straat te kunnen volgen. Bijtertje en teddybeer, verenigd in de strijd. Hun speelse jongenszijn moeten ze al te vaak tot staal buigen en dat snijdt door je hart. Dat doet ook het beeld van een stoere jongen die een pony streelt.

Clio Barnard maakte met haar tweede film (na The Arbor) een indrukwekkend sociaal drama met twinkelinkjes doorheen de tristesse. Toch moet ze bukken voor een grootmeester als Andrea Arnold. Zij weet in haar sociale verhalen (Red Road, Fish Tank) meer dimensies te leggen of een boeiende intrige. Ze legt het drama ook in conflicten tussen meerlagige personages en hun botsende karakters. Zo kent Arnold in Fish Tank een ambigue rol toe aan Michael Fassbender, die tegelijk lief en gluiperig is, en zijn stiefdochter in verwarring brengt. Ze weeft door haar sociale film een psychologische machtsstrijd. Clio Barnard moet bij Arnold mosterd gaan halen, maar wij reserveren nu al een plekje aan haar – allicht krakkemikkige – keukentafel.

Timbuktu

timbuktuNa de machtsgreep van religieuze fundamentalisten in het Malinese Timbuktu leeft een vredig volk in permanente staat van angst en juridische willekeur. Zingen, voetballen of uit de echt breken eindigt in zweepslagen of steniging. Regisseur Abderrahmane Sissako toont het leven van mooie mensen, langs zwoele beelden en diepe gezangen. Hij trekt de kijker mee onder hun vel en reikt dieper dan een zee aan kogels raken kan. De betrokkenheid is compleet.  

Timbuktu pikt in op een waargebeurd feit in Aguelhok, een andere stad in Mali. Daar werden in 2012 de ouders van twee jonge kinderen gestenigd omdat ze niet gehuwd waren. Het feit werd nagenoeg niet opgepikt door de media en dat zette Sissako ertoe aan deze parel te maken. Het leverde hem in 2015 zeven van de negentien Césars (Franse nationale filmprijzen) op en een Oscarnominatie voor beste buitenlandse film.

‘Angst is een zwerm die rust in een boom’, schrijft dichteres Maria Barnas. Het is een beeld dat helemaal past bij Timbuktu. De stilte is er niet vredig, maar beladen van dreiging, de figuurlijke zwerm vogels in de weinige bomen kan er elk moment uiteenvliegen. En Sissako blijkt ook een meester in suspense. Hij spint aparte verhaallijnen over verschillende mensen waaraan we ons als kijker haast niet durven binden. Deze mensen doen niet meer dan zingen en spelen, hun gezin beschermen of vis verkopen zonder handschoenen aan, maar we vrezen van bij aanvang dat het mis gaat en dat het doet ook. Je zit haast mee op de eerste rij en houdt je hart vast voor wie er door de machthebbers zal worden uitgepikt omdat hij te uitbundig weet te leven.

Eén blik raakt meer dan duizend kogels en dat heeft Sissako helemaal begrepen. Hij maakt geen politieke film, legt geen historische verklaringen neer. Toch weten we langs details en in reacties van de fundamentalisten dat het maar loopjongens zijn. Ze weten niet te leven of een vrouw te versieren en hangen hun karretje aan een schrikbewind dat handig aan kwam te waaien. Met hun mitraillette kunnen ze toch nog iets betekenen. Ze weten niet eens een auto te starten en tegenover een vrouw die verbaal haar rechten verdedigt, staan ze met een mond vol tanden. Sissako toont met grote empathie en poëzie aan dat al die dwaasheid weinig met religie en zowat alles met bange jongetjes en kleine pietjes heeft te maken.

Amy

amy

Ze was een vrouw die in ingeslapen kamers brandalarmen deed afgaan. Ze blies vuur door haar stem en keek je langs haar teksten recht de ogen in. Amy Winehouse wendde nooit haar blik af, was oprecht en verwoestend, haar gevoel lag altijd bovenaan. Asif Kapadia toont in Amy hoe ze in haar pijn groef om gouden songs af te leveren. En hoe ondankbaar we daarmee zijn omgegaan.

Amy laat je rillend en emotioneel verknipt achter en doet je een vriend missen waarvan je niet wist dat je hem had.” Het is een commentaar op deze beeldmooie documentaire, in de trailer gemonteerd, en hij is de nagel op de kop.

Gevangen

Al vanaf de eerste shots ben je gevangen door de hartverwarmende Amy. We zien in een homevideo hoe ze als jonge tiener een verjaardagslied zingt voor een nichtje, zomaar tussendoor, op de trap gezeten, en je denkt twee uur lang: waarom hebben ze jou van ons afgenomen?

Amy kijkt dan al recht de camera in en heeft de air van een ster. Randje arrogant, soms erover, maar altijd palmt ze je in. “Ze kon je het gevoel geven dat je super belangrijk was”, zegt jarenlang manager Nicky Shymansky, die zelf maar drie jaar ouder was dan Amy toen zij op haar zestien doorbrak. “Ik heb haar veel te dicht laten komen, heb geen afstand ingebouwd. Dat zou ik nu niet meer doen.”

Maar het was dus te laat en niet alleen voor Nicky. Zo charmant als Amy was, zo hard kon ze ook zijn – om haar eigen pijn een stap voor te blijven. Definitie van de gevaarlijke vrouw. Kapadia geeft een rauwe inkijk in de destructieve relatie van Amy met haar latere man Blake Fielder. Toen Blake afstand wilde inbouwen, nam Amy wraak door met zijn beste vriend te slapen. “Iemand van ons moest de ander gewoon kapotmaken”, hoor je Amy daarover zeggen, “want we bleven elkaars hart breken.” Toch kwamen ze weer bij elkaar.

Winehouse raakte nooit over de scheiding van haar ouders (What is it about men?), wilde soms volledig verdwijnen – in drank, drugs, in haar eetstoornis – en dat gevoel kon Blake toelaten. “Ik verstond haar. Op mijn negende heb ik een zelfmoordpoging gedaan. Niet zozeer omdat ik dood wilde, maar omdat mijn stiefvader mijn moeder sloeg.” Zijn begrip en hun drugsverslaving leidden haar ondergang in.

Functioneel leed

Het leven van Amy was een poort naar haar muziek, fantasie hoefde ze zelden op te wekken. In haar eerste vriendje Chris verliest ze interesse, het leidt tot haar eerste succes: Stronger than me. “You should be stronger than me, you’ve been here seven years longer than me.” Uit pijnlijke hartstocht met Blake werden Tears dry on their own en Back to Black geboren.

De absolute klasse van regisseur Kapadia is dat hij al het persoonlijk materiaal – de beelden, de citaten van Amy en van vrienden – enkel gebruikt om haar songs te doen begrijpen. Hij doet dat slim en met veel gevoel. Hij zoomt traag in op een bevroren beeld (een ‘still’) van Amy, monteert er emotionele citaten op (je hoort niemand saaiweg iets in de camera zeggen), en schakelt dan over naar een concert waarop Amy je neerslaat met haar bedwelmende stem en haar op geen enkel moment onthaarde teksten. Je wordt van emotie tot emotie geleid, maar klef en vals voelt het nooit. Huiveringwekkend is de studio-opname van Back to Black. Ze slaat iedereen met verstomming op een moment dat het helemaal fout leek te gaan.

Iedereen misleid

Toch hielden haar topprestaties en haar ondergang minder contrast in dan je zou denken. Amy kwam bij momenten bovendrijven door haar ongelooflijk talent en groot verstand en haar blijvende wil om mooie muziek te maken, maar reed eigenlijk in één lange trek haar lichaam de vernieling in. Al die Grammy’s waren geen tekenen van plots herstel, enkel van grote klasse. Haar directe entourage werd er door misleid. Amy toont heel goed hoe die mist wordt opgetrokken om verslaving te verdoezelen. De film is in die zin meer dan een uitstekende muziekfilm en vertederende biopic, maar ook gewoon rasechte schooltelevisie.

Leedvermaak

En waar ze Amy dan zeker mogen draaien, is op de journalistenschool. Het lepelt je hart uit hoe je ziet dat de wereld zich vrolijk maakte om Amy’s dronkenschap en heroïne- en cocaïneverslaving – in tabloids, latenightshows, ja zelfs op prijsuitreikingen (“kan iemand deze namiddag Amy gaan wakker maken om te zeggen dat ze gewonnen heeft, die zatlap?”). Ze was opgejaagd wild. Er is in deze docu het wraakroepende beeld waarin Amy geen kant meer uit kan, ze staat dronken te staren en wordt omringd door flitsende camera’s, en wacht dan maar tot de vernedering voorbij is. Amy kon niet meer weg: “I’m a tiny penny rolling up the walls” (Back to Black).

Of met de woorden van een Engelse recensent: “this movie turns the camera back on the viewer, who saw, mocked and ignored Amy’s descent.”

En toen was ze weg.