Martha

De trappen naar je appartement leken ladders, zo steil. Op de treden ijzeren randen, je hoorde me tot boven aangestapt. Uitgeput kwam ik bij je en vierhoog tot rust. Je kat die behangpapier opkroop en achter vliegen joeg, zocht zich een weg tussen vaak kruisende benen, aan die van jou kwam geen eind. Ik schrok er van toen ik onder de lakens head down naar beneden kroop, ver voorbij je dons lagen nog voeten bloot, een onderbeen. Ik had werk voor de boeg.

Je betaalde in die tijd 9500 frank en voorbij de aftandse gang deed niets mij aan een vorig leven denken. Een eerste plek in de stad, een houten vloer waaruit tekstlijnen kraakten, planten groeiden er wild en eigenwijs. Hier begon mijn schrijversleven, dat moest. In mijn gedachten stond Jeroen Brouwers er intelligent door het raam te turen. Boven het volk verheven, raapte hij met één blik op de straten klinkers op, door zijn eigen rookpluim zag hij verhalen opduiken. Alle schrijvers rookten, in mijn hoofd. Dat moest ik zelf nog leren, want ik had astma. Het was een kwestie van tijd.

Je douche stond in de keuken, met alleen een schort aan imiteerde ik The Naked Chef. Misplaatst, want koken deed ik weinig. Ik droogde me af met een keukenhanddoek, dat ging, mijn borst lag toen nog ingevouwen, er viel nog zoveel te inhaleren, bleek en broos waren we onder de kin. Ons hoofd puilde uit, dat wel. We hadden net een thesis geschreven, praatten over internationale politiek of over wat we daarvan wisten. Het was het jaar 2000 en alles moest nog beginnen.

Je was net iets ouder, maar lag vele jaren voor. Je serveerde me Indische gerechten waarvan je de naam kende, ik slaagde erin curry te onderscheiden en proefde alles waarvan ik nooit eerder had gehoord, kardemom bleek een kruid te zijn. Je kon geweldig koken.

Tussen de keuken en mijn gevuld oosters bord stond op een bordeaux, krakkemikkig boekenrek je miniketen. Met in één hand de wok legde je cd’s op. Tracy Chapman, Nick Cave. Boven gebakken rijst trok je mijn wereld en zes zintuigen open. Ik absorbeerde alles, liet het binnensluipen, maar op één song was ik niet voorbereid. Toen niet, nu niet, nooit: ‘Martha’. Tom Waits. Een man belt met bevende stem zijn oude liefde op, na veertig jaar. Vanuit een telefooncel, de muntjes trillen in zijn hand. To meet her out for coffee, while they talk about it all. Ik hoor het en versteen, leg mijn vork neer.

Those were days of roses, poetry and prose
Martha, all I had was you and all you had was me
There was no tomorrows, we packed away our sorrows
and we saved them for a rainy day

In die tijd begonnen vrienden kantoren in te palmen, huwelijken te plannen en minder te zoenen, in echtscheidingen mondden zij uit. Wij hadden geen haast en geen bestemming, draaiden de plaat nog eens om. We lieten, lui als we waren, de tijd het werk doen, lieten ons niet verleiden bruggen te bouwen op wat onderaards verschoof. Wij dreven als vanzelf uiteen en op tijd, zonder kinderregeling.

Ik kon me niet in je nestelen toen, met kamillethee. Van je platenkast trilde ik uren na, ik moest er dagen bij blijven zitten. Denk Jim Carrey, die voorbij een valse wolk een nieuwe wereld ontdekt en uit de Truman Show vertrekt. Ik was een nietsvermoedend wandelaar met een baguette en salami op zak, die de Macchu Picchu ziet verschijnen. Je trok een deur open, er kwam lucht binnen, ik moest weg. ‘Old man’ van Neil Young ga je zelf aan, je beluistert het niet verdeeld en verdund. Lyrics dienden nodig door mij worden opengelegd en omgedraaid, vroegen om op eigen mansardekamers te worden geanalyseerd. Stokoude songs, in perkament neergelegd, moesten hoogstpersoonlijk worden doorleefd en in nachtelijke bars worden nagespeeld.

Leonard Cohen deed me niet in je armen belanden, ik moest nog veel other kind of lovers zijn. Ik zou, in satijnen kamerjas, in een Chelsea Hotel, goodbye-gedichten schrijven aan een eiken tafel. Op de achtergrond, in flou artistique, trokken diva’s achteloos hun rood geruit flanellen hemd weer aan, daarna pas hun broek. Ze zouden gaan na het ontbijt. Giving me head on the unmade bed, while the limousines wait in the street. Dat ik weg zou gaan, was geen keus, maar ik wist het nog niet.

I was always so impulsive, guess that I still am
And all that really mattered then was that I was a man
Guess that our being together was never meant to be
Martha, Martha, I love you, can’t you see?

Ik wilde het graag kunnen zijn: zo’n dichter die met pennenstreken een lief afschrijft, in zesde druk. Maar dat was ik niet, ik had een blinde angst je pijn te doen en die zat ik te verdrukken. Een beetje zoals mijn grootmoeder haar kanariepiet onder een berg keukenrol wegkijkend plette. Ik wist niet dat iemand ook zijn vleugels uit kon slaan zodra ik weg zou gaan, dat een lief dat overleeft en nog van straat geraakt, dat had geen ouder mij verteld. Ik zag indachtig een leeg bord, een onbeslapen kussen, je twijfels wat te doen met dat boek van Jamie Oliver, je kleermakerszit op parket, je bijeen gekeerde moed op een blek.

And I feel so much older now, and you’re much older too
How’s your husband, and how’s your kids, you know that I got married too
Lucky that you found someone to make you feel secure
‘Cause we were all so young and foolish, now we are mature

Deze long distance call uit een phone booth trok in 2000 langs vingertoppen en oorschelpen in 4 minuten 28 een spoor van paniek. Ik voelde kolkende liefde maar ook mijn nakend vertrek, alles werd op scherp gezet. Overweldigend, maar er speelde nog veel meer.

Want Martha is geen love song, geen ode van een oude knar. Waits was 23 toen hij in 1973 Martha schreef, ik was even oud toen ik het zonder waarschuwing hoorde. Zat ook hij op zijn nulpunt, na jeugd en studies, aan de drempel van zijn eigen leven, te twijfelen of hij weg moest gaan? Zo lijkt het wel. Martha is een voorafname op verpletterende spijt, een vooruitblik op een terugblik op een mislukt leven, op een kapitale vergissing. Martha beschrijft de oerangst.

Ik ben 23. Voor een poster van James Dean zit ik curry te verteren. Langs indringende pianotoetsen word ik vijftig jaar de toekomst in gezogen en ik zie er het beeld meteen voor me: vermoeid en versleten zit ik voor me uit te koken wanneer ik een spatel zoek en een schuif opentrek. Ik zie een oude schort en stort in.

I remember quiet evenings, trembling close to you.

We missen de moed om humor uit te leggen

De Casastrooksketch van De Ideale Wereld. Jammer dat hij tot gekwetste gevoelens en doodsbedreigingen moest leiden om onder mijn aandacht te komen, maar ik ben blij dat hij daar is beland. Want de sketch is geestig. Hij neemt de shopzieke burger te grazen die van alle koopjes op de hoogte is, maar niet weet waar op de wereld een oorlog woedt en zich er niet voor interesseert. Daar mag mee gelachen worden.  

Spitsvondig wordt in de sketch geïllustreerd hoe sommigen voor wat geurkaarsen uren in een wachtrij staan, iets wat een zinnig mens pas zou doen na jaren van oorlog en ontbering. Onderliggende boodschap: mensen vallen nog liever dood in de wachtrij dan een koopje te missen, ze weten niet wat het is om vanuit overlevingsdrang werkelijk dagen in de rij te staan voor wat water en brood. De dommige hebberigheid, het ongegeneerd kapitalisme terwijl de wereld uit mekaar valt: dàt en niets anders wordt hier flink door de mangel gehaald.  

Het is niet omdat er naar Gaza wordt verwezen dat er met Gaza wordt gelachen. Precies het omgekeerde is waar. De Ideale Wereld zegt: ‘wij zien jullie leed en wij schamen ons dat we nog altijd blijven shoppen.’ 

Alle begrip voor de VRT dat ze na doodsbedreigingen aan het adres van de makers het filmpje van haar socialemediakanalen heeft gehaald (en blij dat op VRTmax de sketch nog steeds te zien is), maar de duiding kon toch moediger. In VRT NWS Laat interviewt Aurélie Boffé voormalig DIW-host en cabaretier Jan Jaap van der Wal en ze vraagt of de grens van humor ligt waar de ander gekwetst wordt (van der Wal stemt half ontwijkend in). Ik vind het tien jaar na de moordraid bij Charlie Hebdo pover dat we die vraag nog steeds stellen, dat we nog steeds overwegen om satire aan banden te leggen wanneer er ergens iemand door gekwetst zou kunnen worden.

De grens, of de vraag over de grens, moet toch echt gewoon verder liggen. In dit geval zou de vraag kunnen zijn: ‘Is mijn humor of satire erop gericht om met menselijk leed te lachen?’. In casu is het antwoord toch duidelijk ‘neen’ en je bent verder niet verantwoordelijk voor verkeerd begrepen humor.

Beeld je even de woede in op de DIW-redactie: het team heeft in een intelligente sketch de Gazanen een hart onder de riem gestoken en wordt van het tegendeel beschuldigd en vervolgens met de dood bedreigd. Is het dan niet even aan hun baas, aan het management, om een streep in het zand te trekken, om het volop voor hen op te nemen? Om te duiden dat het schrappen van de sketch op sociale media uit veiligheidsoverwegingen gebeurt, maar om wel ondubbelzinnig uit te leggen hoe humor werkt en wat deze sketch betekent? 

Het is een kwalijke trend om te bukken als de wind waait – van waar die ook komt -, want je moet toch op pad. Neem een voorbeeld aan Harvard, dat op straffe van miljarden gemiste overheidssteun weigert te plooien voor Trump en haar eigen morele waarden onverzettelijk verdedigt.  

En het gaat niet over vrijemeningsuiting. Ik lees de opinie van Jeroen Bossaert van Het Laatste Nieuws, die een vergelijkbare kritiek aanbrengt, maar zich wel afvraagt: ‘mogen we niet meer lachen met oorlog?’. Ja, natuurlijk mag dat, maar daar gaat het niet om en gewoon wat lachen met oorlog en het leed van anderen is bovendien zelden geestig, het is humor uit de onderste schuif: legaal maar bedenkelijk. En in de zin ‘mogen we niet meer lachen met…’ zit ook telkens een ongevoeligheid verborgen voor hoe een ander de humor kan ontvangen. Een superioriteitsgevoel en een neerbuigendheid. Een pleidooi dat je ongegeneerd je gang mag gaan in al wat je vindt en denkt, hoor je mij dan ook niet geven.

Mijn vraag of oproep is moeilijker en vraagt om moed: leg je humor uit, je beweegredenen. Door je puur terug te trekken wanneer je humor niet begrepen wordt, heb je de ander nog steeds niet bereikt en blijft die gekwetst. Je denkt vrede te stichten maar op lange termijn vergroot je de polarisatie, duw je mensen verder de kanten van de achtbaan in, waar ze excuses ontvangen hebben omdat je liever het conflict vermijdt en zij zich bijgevolg gesterkt voelen in hun verongelijktheid.

Intussen krimpt dan de ruimte voor het tegensprekelijk debat. Het is hoogtijd dat we weer durven opkomen voor humor en satire, die in de hoek zitten waar de klappen vallen. Dat we de moed vinden om op te komen voor al wat onder druk staat, om complexiteit toe te laten en toe te lichten. Ik startte deze week als leraar Nederlands in het onderwijs. Ik ga mijn best doen om daar te beginnen.

En de scheidsrechter moet maar zwijgen?

Umut Meler, scheidsrechter bij Club Brugge-Atalanta (copyright: en.haberler.com)

Als Philippe Geubels en de VRT voor Taboe door hun voorraad paria’s en pechvogels heen zitten, heb ik een suggestie: nodig eens vijf voetbalscheidsrechters uit. Ik wil er dan wel eentje van zijn. Als dank om naar best vermogen 90 minuten aan één stuk door spelfases te beoordelen, wordt deze minderheidsgroep wekelijks met pek en veren ingesmeerd. Scheidsrechters zijn de nieuwe vluchtelingen. Het kan geen kwaad dat tv-kijkend Vlaanderen eens hoort hoe dat zoal voelt.

Dat sommige fanatieke supporters zich aan refbeledigingen bezondigen, is op zich al verwerpelijk, maar kan ik relativeren. Zij zitten in een cocon waarin ze elkaar gelijk geven en objectiviteit schaadt alleen maar de groepssfeer en het gevoel van eigenwaarde. Het valse idee dat ze benadeeld worden, komt hen goed van pas: ‘hadden we zoveel geluk als club B, dan stonden we nu eerste!’, zeggen ze bij club A. Geef de schuld aan de scheids en je blijft in de illusie leven. Alle scheidsrechters die ik ken halen hun eer en hun plezier uit zo zuiver mogelijk spelfases beoordelen. Wie het spelletje wint, dat boeit ons voor geen meter. Helaas gaat dat er bij de verongelijkten niet in.

Heel wat professionele voetballers en trainers gooien olie op het vuur door steeds weer naar de ref te wijzen (en er pro forma aan toe te voegen: ‘we moeten het daar niet op steken, wij hadden onze kansen moeten afmaken’) en dat is beschamend. Dat voetbaljournalisten nog eens poken waar het pijn doet, is op zijn zachtst gezegd bedenkelijk. Vooral bij het systematisch gebrek aan wederwoord van een scheidsrechter zoals we dat vandaag kennen.

Deze column kan ik al jaren elke week schrijven, dus als doorsnede neem ik dan maar vorige week, met voorop de Champions Leaguewedstrijd van Club Brugge en de Europa Leaguematch van Anderlecht.

Vervloekt om de regel te volgen?
In Club Brugge-Atalanta kent de scheidsrechter een penalty toe aan Club. In de betreffende fase loopt Atalantaverdediger Hien met de bal weg uit het strafschopgebied, maar hij raakt de achternazittende Gustaf Nilsson met de hand in het gezicht. Volgens de scheidsrechter penalty en volgens mij ook. Op het moment van contact met de neus van Nilsson is de arm van Hien geheel horizontaal uitgestrekt en zijn hand komt zelfs boven zijn schouder uit. Dit is niet hoe je natuurlijk loopt en hij slaat ook nog eens zijn arm naar achteren. Met die beweging breng je de integriteit van je tegenstander in gevaar. Fout volgens het boekje. Sporza-journalist Tom Boudeweel: “Als zo’n fout op de rest van het veld gebeurt, wordt die altijd gefloten.”

Boudeweel voegt daaraan toe dat de norm voor een penalty wat hoger ligt. Dat betekent dat de fout voldoende groot moet zijn voor die strenge bestraffing. Met permissie, maar dan begin je de regels enigszins naar je hand te zetten. Misschien wel terecht, want het gezond verstand mag ook zegevieren, maar een arbiter kapittelen (niet door Boudeweel) omdat hij strikt de regels opvolgt, is al te gek en toch is het schering en inslag. Als je het moeilijk hebt met de wet, val de wet dan aan in plaats van de rechter. Suggestie: schaf strafschoppen af of beperk ze tot overtredingen binnen het strafschopgebied waarmee een rijpe doelkans wordt verhinderd.

Dat de sportman opstaat
‘Sorry, mijnheer, voetbal is emotie.’ Het is het meest gehoorde excuus waarmee spelers zich na de wedstrijd komen excuseren nadat ze je hebben uitgescholden. Dat is onjuist. Voetbal – en al zeker profvoetbal – is je emoties onder controle houden, je als een sportman, een gentleman gedragen. Zoals in het rugby of het hockey.

De zo gelauwerde Charles De Ketelaere, kind van het Brugse huis maar nu in loondienst bij Atalanta, heeft die status van sportman alvast nog niet bereikt. Volgens hem was de scheidsrechter ‘heel arrogant’ en zou ‘op honderd mensen niemand dit een penalty noemen’ (alvast commentatoren Marc Degryse en Frank Boeckx hoorden al niet bij die honderd) en was het allemaal ‘heel oneerlijk’.

Of zijn dat eerder de trainers die de scheidsrechter beledigen?

Zijn trainer Gasperini liep woedend en fulminerend weg en sprak van een schande, “alle tv-analisten zouden hem gelijk moeten geven” en “je kan commentaar geven over de volledige match, maar je kan je ook beperken tot die ene fase, want die bepaalt het resultaat”. Geen enkele interesse in de stem of de argumenten van de scheidsrechter, maar liever handig je eigen falen maskeren. Het indommelen van zijn linksback of het falen van zijn invaller voor een bijna lege goal waren even bepalend.

Geen wederwoord
Toch gaat het in Sporza-artikels of in tv-studio’s niet over het wangedrag van Gasperini of de beledigingen van De Ketelaere. Nooit lees je een titel ‘Gasperini gaat boekje volledig te buiten’ of ‘Haatspeech De Ketelaere shockeert wedstrijdleiding’, om vervolgens een interview te lezen met de beledigde scheidsrechter, gevolgd door een repliek van de advocaat van De Ketelaere en op het einde het noodnummer 1813 voor scheidsrechters met zelfmoordgedachten. Neen, een scheidsrechter mag alleen maar incasseren. “Kunnen we dan nu weer overgaan tot de ernst van de zaak: was die penalty terecht?”

Nog wat olie op het vuur in Het Nieuwsblad. Graag ook een poll over het gedrag van Gasperini. Dank alvast.

Jammer genoeg komt het antwoord op die vraag dan nog niet eens van een scheidsrechter. Wanneer wordt die eindelijk eens aan tafel gezet? De studio van Sporza wordt systematisch bevolkt door ex-voetballers waarvan de adrenaline maar niet wil gaan liggen. Hun reacties lijken vaak ingegeven door verbolgenheid, misschien denken ze aan die keren dat ze zelf werden teruggefloten bij een nakende doelkans.

In de wedstrijd van Anderlecht op Fenerbahce duwt verdediger Costic met de arm zijn opponent Degreef van zich af en zet zo een aanval op die tot de 2-0 leidt. Gert Verheyen is zo fair om dit geen fout te noemen, maar Wesley Sonck beweert “dat er in Brugge voor dezelfde fase wel een penalty is gefloten” en hij zegt verontwaardigd: “dit krijg je toch aan je vrienden niet uitgelegd”. Ik wel, Wesley: Costic wrikt zich los van Degreef, zijn arm duwt zich eerder af van Degreef dan dat hij naar Degreef toe gaat en hij maakt contact met diens rug, niet het gezicht. Een heel andere situatie dan bij Hien, die de arm van het lichaam weg heeft, met zijn arm achteruit in de ruimte beweegt (en dus niet kan voelen waar Nilsson zich begeeft, met meer risico op pijnlijk contact). Klaar.

Als je als voetbalanalist ook geeft om de mens achter de scheidsrechter, dan ga je op zoek naar een verklaring. Het vergt inleving en afstand tot je directe emotie. Zijn we dit verleerd in Trumptijden? Bij afwezigheid van een scheidsrechter in de studio, is het nu eenmaal de verantwoordelijkheid van de andere studiogasten om bepaalde beslissingen van de ref uit te leggen. In Terzake waakt men minutieus over evenwicht in meningen, maar als het over sport gaat, laat men alle nuance los. Ik voel geen enkele zorg om de wedstrijdleiding een eerlijke plaats in het gesprek te geven en dat is journalistiek verwerpelijk.

Na dezelfde Fenerbahce-Anderlecht heeft sportjournalist Bart Raes (Play Sports) een interview met Anderlechttrainer David Hubert. Hubert maakt een eerlijke analyse en spreekt over het falen van zijn team. Hij noemt ook ‘enkele scheidsrechterlijke beslissingen die voor ons niet de goede kant uitvallen’. Zijn reactie is al bij al beleefd en deftig. ‘Ik ga dat geen dwalingen noemen’, zegt Hubert nog. Kous af, maar dat is buiten Raes gerekend: “Voel je je dan niet geflikt door de scheidsrechter?”

Oogchirurgie
Op een Champions Leaguematch worden grosso modo 20 overtredingen gefloten. Naar mijn grove inschatting zullen er dan een 60-tal fases zijn waarin je als arbiter ofwel de voordeelregel toepast ofwel oordeelt dat er geen fout is gemaakt. Toch vinden trainers, spelers en sportjournalisten dat die éne fase waarmee ze niet akkoord gaan de hele wedstrijd heeft bepaald. Eén fout op tachtig, maar je wordt gelyncht. Ik denk dat er buiten oogchirurgie weinig beroepen bestaan waarin zo meedogenloos wordt geoordeeld.

Ik droom hardop van de dag waarop een trainer in de eerste klasse zegt: “Sorry, ik geef geen commentaar op de scheidsrechter, want dan moet ik ook alle foute passes van mijn spelers opsommen en dat gaat ons te ver leiden.” Gewoon, één trainer die dat zegt. Op tachtig of zo.

Theaterspelers boven straatvechters

Scène uit ‘Hier waak ik’ (Janne Desmet) – copyright: stippypictures

“We gaan werken aan de kracht van je stem. Die dient van dieper te komen, uit je buik en niet uit je borst”, vertelde mijn theatercoach. “Je borst is de zone van de woede en de verontwaardiging. Als je van daaruit spreekt, hap je snel naar adem. Daar zit je boosheid en verstarring. Ik ben benieuwd hoe je klinkt vanuit je buik, vanuit je liefde en waarden, vanuit je humor.”

Petra De Sutter sprak vanuit de buik toen ze in De Afspraak tekst en uitleg gaf bij haar keuze om geen kandidaat te zijn als Groen-voorzitter. Ze zou er niet gelukkig van worden, ze is veel meer bemiddelaar en onderhandelaar, zegt ze. ‘Wauw’, is het enige wat ik kon uitbrengen. In een dolgedraaide samenleving waarin strakke spieren en hoge ambities de dienst uitmaken, zei een zeer getalenteerd minister dat ze een keertje iets niet ging doen omdat ze er niet blij van werd. Ze kroont zich daarmee tot het omgekeerde rolmodel waaraan onze burn-outeconomie zo’n nood heeft. En ze toont zich een Groen-politica uit het programmaboekje: het kàn anders.

Om scherp te stellen hoezeer Petra De Sutter zelf niet in aanmerking kwam, gebruikte ze een militaire taal die je in andere politieke middens verwacht. De voorzitter diende een soort straatvechter te zijn die kon strijden “om het eigen gelijk”, want “verkiezingen worden gewonnen door pestkoppen, dus moeten we het spel spelen zoals het gespeeld wordt”. De Sutter vindt dat je je “beste generaal” moet sturen. Waarheen? “De arena.”

Neen. Je moet niet het omgekeerde van De Sutter zijn om in deze tijden voorzitter te worden van een politieke partij. Vooral nu niet. Na Wilders, Bardella, Meloni, Van Grieken en Trump hebben we nood aan actieve luisteraars, aan beredeneerde mensen die een ander geluid dan het hunne in overweging nemen. Die niet vertrekken vanuit het eigen gelijk, maar vanuit de diepe overtuiging – dat is iets gans anders. Bouw alsjeblieft verder op het basispakket De Sutter dat er al ligt, met zijn lagen bescheidenheid, sereniteit, authenticiteit en waardengedrevenheid, om er nog meer verbaliteit, spitsvondigheid en luciditeit aan toe te voegen. Maar bovenal bemin de buik, vertrek uit ademhaling.

De ideale partijvoorzitter is een theaterspeler. Hij doet aan introspectie voor hij iets zegt: wie is hij als acteur, wat kan hij van zichzelf in zijn rol leggen? Hij staat diep in connectie met zichzelf, hij is geaard en knakt niet bij een storm. Hij is empathisch, leeft zich tot wekenlang in zijn personage in, zoekt diens leefwereld op, probeert de werkelijkheid te begrijpen en het effect daarvan op het individu. Hij kan zich in meerdere perspectieven verplaatsen.

De theaterspeler is niet ijdel, maar kent zijn positie binnen het geheel. Hij is maar één van de spelers, wacht zijn moment af. Zijn teksten zitten klaar en al wat hij zegt, ligt in lijn met wie hij moet vertolken, maar tegelijk speelt hij in op de ander, laat binnenkomen wat die zegt, vooraleer hij reageert. Hij is in staat zijn timbre, houding en tekstlijn bij te sturen naar wat hij van de ander ontvangt en weet daarop gepast en in lijn met zijn personage te reageren. De theaterspeler wikt zijn woorden en weegt zijn moment. Hij laat zich niet opjagen, maar zal krachtig spreken als het moet. Dan klinkt hij boos en echt, is hij begaan, wordt hij geloofd.

Misschien kan Groen in plaats van voorzittersverkiezingen audities organiseren.

‘Je wordt beschuldigd van hypocrisie. Reageer adequaat maar correct.’
‘Je politieke tegenstander vervloekt de criminaliteit in een kansarme wijk. Toon aan dat je de bezorgdheid hebt gehoord en formuleer een oplossing.’
‘Verdedig je standpunt over de LEZ-zone. Klink overtuigend en empathisch.’
‘Geef aan hoe ecologie een oplossing kan zijn voor de economie. Je tegenspeler werkt bij Audi.’
‘Tover een konijn uit je hoed.’
‘Wees Paul Staes. Klink echt.’

Waarom ik (minstens even) afhaak van Groen

Foto: Nadia Naji en Jeremie Vaneeckhout, voorzitters van Groen (bron: Wablieft)

Dat Groen bij deze provincieraadsverkiezingen bijna 1 op 3 kiezers verloor, is pijnlijk. Dat de partijtop die realiteit opnieuw onder de mat veegt, is niet langer aan te zien. In juni stonden partijvoorzitters Jeremie Vaneeckhout en Nadia Naji haast te springen van opluchting omdat de schade ‘nog meeviel’ (28% verlies) en tot vandaag klinkt het op de homepage van Groen alsof de partij in juni een eclatante overwinning boekte: ‘De verkiezingsuitslag van 9 juni 2024 bewijst dat Groen sterk verankerd is als partij’.

Zondagavond klonk de reactie van Nadia Naji: ‘de tijd was te kort om sinds juni het tij nog te keren’. Geen enkele analyse of inkeer. We zijn vier maanden na juni en conclusies zijn nog steeds niet getrokken. Dat je geliefde partij recht het ravijn in rijdt, moet je voor lief nemen.

Dat tastend gebrek aan urgentie doet mij minstens tijdelijk afhaken als Groen-kiezer. Groen rekent op mijn stem omdat het klimaat naar de haaien gaat en ik dus niet anders kan en omdat ik mijn schuldgevoel voel knagen wanneer ik het racisme dat zij bestrijden niet radicaal genoeg afwijs door hen die stem een keertje niét te geven. Groen rekent op het burgerschapsgevoel van zijn trouwe kiezers, maar die kiezers zijn uitgeput. Ze moeten alleen maar geven aan een behoorlijk luie partij, hun persoonlijke behoeften worden niet gezien.

Zondag koos ik niet voor Groen en ik voelde me vederlicht. Een last die niet bij mij hoeft te liggen, wierp ik af. Ik koos voor Vooruit, omdat die partij niet alleen opkomt voor betaalbaar wonen, openbaar vervoer, welzijn en cultuur, maar ook bereid is hard op te treden tegen hen die mijn veiligheid in gedrang brengen of zich asociaal gedragen.

In de verkiezingsfolders van Groen staat geen woord over sluikstorten in Borgerhout, drugs en verslaving, agressief auto- of fietsrijgedrag, steps die over je voeten rijden of blikjes op je vensterbank en mijn Pakistaanse nachtwinkeluitbater die na vijftien jaar nog altijd in het Engels met me spreekt en me zo ongewild van mijn omgeving doet vervreemden, mag vooral niet gediscrimineerd worden. Wanneer benoemt Groen mijn bezorgdheden en koppelt het daar oplossingen aan? Liggen haar antwoorden in jeugdwerking en vrijetijdsaanbod, in anti-discriminatie? Misschien in de verbinding die we met elkaar aangaan op de Reuzenstoet of aan een kilometerlange tafel waarrond we éénmaal samen eten? Zeg dan ook dat dat volgens jullie de oplossingen zijn voor problemen die je dan eindelijk eens benoemt. 

De kritiek tijdens het zaterdagavonddebat dat door de lage-emissiezones vooral mensen met lage inkomens zich geen geschikte wagen kunnen veroorloven, werd door Nadia Naja noch weerlegd, noch werd er empathie voor opgebracht. Het antwoord was dat ook arme mensen in haar Molenbeek “recht hebben op schone lucht”. Die LEZ-zone moet je slikken, want ze is nodig. Haar ideologie ligt zo gebetonneerd dat haar voelsprieten naar de ruimere omgeving zijn afgestompt.

Antwerps kopstuk Bogdan Vandenberghe erkende in De Zevende Dag gelukkig wel dat handhaving in het drugsbeleid nodig is, maar bracht daartoe geen enkel eigen idee aan, terwijl Jos D’Haese en Kathleen Van Brempt duidelijk spraken over de harde aanpak van straatdealers, de opheffing van het bankgeheim (PVDA) en het jagen op drugscybernetwerken (Vooruit). Groen kwam niet verder dan de invoer van gebruikersruimtes en dus symptoombestrijding. Hoe gaat Groen de drugsbarons de stuipen op het lijf jagen? Kan het ocharmeverhaal een keertje opgenomen worden in een totaalplan dat àlle aspecten van een problematiek countert?

In een antwoord op het sluikstorten komt Vandenberghe aanzetten met het idee om op de vuilzakken ook in het Arabisch, Engels en Frans uitleg te plaatsen. Alweer het medelijdenmantra. Groen begrijpt niet dat je nieuwkomers ongewild van de samenleving uitsluit door ze op hun taalwenken te bedienen. Groen mist de tijdsgeest en volgens hen ligt dat aan de tijdsgeest.   

Overtuigde groenen leggen de standaard van hun onbaatzuchtig engagement op aan mensen die daar geen tijd, geen oog of geen geld voor hebben. De zorgen of ideeën van die anderen nemen ze niet meer op want die zouden dat engagement wel eens in de weg kunnen zitten. Ik kwam zondag op voor zowel mijn morele principes als mijn persoonlijke belangen, die ik niet langer vanuit een hogere moraal heb onderdrukt. Dat lucht op.

Korte corner

Een corner, kort genomen
wij gaan voor zekerheid
stabiliteit
een balstreling
die naar de slachtbank leidt

bakstenen
op luchtkastelen
blij niet echt
maar wel tevreden
glorie is voor Portugezen

een stap vooruit
is al wat telt
eieren voor ons geld

als de vos de passie preekt
een hoekschop

waaruit
geen
ambitie
spreekt

‘Hypnosen’: triomftocht van de eigenheid

(Copyright: OutNow)

Een jong koppel staat op de rand van een doorbraak met zijn gezondheidsapp voor vrouwen. Op een high-end trainingsweekend voor appontwikkelaars houdt Vera (Asta Kamma August) zich in de pitch helaas niet aan het script. Bij André (Herbert Nordrum) breekt het angstzweet uit. Komt ‘zijn’ app in gevaar? Heeft hij het nog voor het zeggen? Hypnosen toont in onnavolgbare humor hoe de verhoudingen kantelen als je in een patriarchale relatie aan wat touwtjes begint te trekken. Hoe de wereld van de ene instort, zodra de ander tot leven komt.

De filmtitel verwijst naar de hypnose die Vera daags voor het weekend ondergaat om van haar rookverslaving af te geraken. Die verandert haar van een volgzame dochter en partner in een vrouw die plots zichzelf wordt, met de meest knotsgekke uitingen eerst. Bij een anekdote binnen de pitch, over haar eigen gezondheid, beeldt ze plots wel héél veel bloed uit, je ziet het in gedachten over haar heen kolken, terwijl van de weeromstuit het laatste bloed uit Andrés gezicht wegtrekt. Vera is geheel ontspannen, naturel en komt tot leven, André is de regie kwijt en verkrampt, staat te stuntelen zonder zijn PowerPoint. Voor één keertje weet hij het niet beter, met zijn mond vol tanden.

De humor spat een hele film van het scherm af en als publiek weet je niet waar eerst te kijken of wat eerst te voelen. Ga je voor het medelijden met André die amechtig zijn gezicht probeert te redden? Die plotsklaps niet meer de bovenhand kan spelen in de relatie – wat doet dat met zijn zelfvertrouwen? Of ga je toch maar voor de aanstekelijke ontbolstering van Vera en de finale overwinning van de vrouw op de man, van het feminisme op het patriarchaat, van de spontaniteit en het zelfzijn op de vastgelegde formats en geijkte paden, van het wezen op het ego?  

Hypnosen toont welke schwung er vrijkomt, hoeveel energie de ruimte wordt in gekatapulteerd, als iemand zichzelf begint te zijn en zich loswrikt. Verrukkelijk om naar te kijken, prachtig voor wie het kan zien. Vera met vertrouwen is een fenomeen, je wil dat iedereen Vera wordt.

De Zweedse regisseur Ernst De Geer speelt het erg slim en houdt het beste tot het sublieme eind. Hij tekent met grote halen maar richt zijn pen volledig op de humor. Het is die groteske humor die iets moois maar ook pijnlijks vertelt. Je proest het uit, maar met de hand voor de mond. Dat heet tragikomedie.  

Hypnosen leunt thematisch dicht aan bij Sick of Myself en Toni Erdmann, even fenomenale films over de menselijke kreet om aandacht en erkenning waarvan de echo pas verstilt in je eigen schoot en die van je geliefde(n).

All of Us Strangers

(copyright: Entertainment Weekly)

Met tedere hand naar de kindertijd

In een flat van een wolkenkrabber in Londen reist de eenzame Adam (Andrew Scott, Fleabag) in een beeldrijke fantasie naar zijn kindertijd, voert er onuitgesproken gesprekken met zijn overleden ouders, tracht zijn eightiesplaten terug te draaien tot voor het moment waar het mis ging. You were always on my mind, hoort hij zijn ouders zeggen. Alsnog. Het briljante All of Us Strangers gaat over de nood aan liefde en erkenning, over spijt en pogingen tot herstel. Regisseur Andrew Haigh neemt geen enkele omweg naar je hart, naar je pijn.

De ouders van Adam (Claire Foy en Jamie Bell) kwamen om in een verkeersongeval toen hij elf was, maar dat doet er haast niet toe. Elke kijker met een vertroebelde relatie met zijn of haar ouders zal zich herkennen in het verhaal, ze hoeven daarvoor niet dood te zijn, onbereikbaar voor commentaar of mank in het gesprek is voldoende, met hun dovemansoortjes aan.

Haigh ontwijkt met een slimmigheid de clichématige flashbacks door Adam niet als kind maar als volwassen man naar zijn ouderlijk huis te doen trekken, waar hij zijn ouders ontmoet zoals ze eruitzagen in 1987, jonger dan hij nu. Hij maakt All of Us Strangers daarmee ook filmisch interessant, want ruimte, mode en visies uit verschillende tijdperken raken zo met elkaar vermengd. Adams moeder reageert op zijn coming-out uit 2024 vanuit denkbeelden van de jaren tachtig en de humor van de scène kan je niet ontgaan – hoe pijnlijk ze tegelijk ook moge zijn.

Deze creatieve vondst van Haigh laat vooral toe om te vertellen waar zijn film écht over gaat en dat zijn geen herinneringen aan dialogen uit het verleden, maar ingebeelde gesprekken van vandaag. Het gaat allemaal om wat Adam zo graag nog had willen zeggen, over uitwissen wat wel is gezegd, over de ontembare hunkering naar erkenning van wie hij is door de mensen die hij het liefst ziet. Als de grote Adam in krappe eightiespyjama bij zijn ouders in bed kruipt, weet je niet of je een bulderlach moet onderdrukken of een traan moet wegduwen.   

Bij heling van geslagen wonden hoort troost in huidige armen. Die vindt Adam bij de wat jongere Harry (Paul Mescal, Normal People), een andere verloren ziel in het desolate gebouw die lichtjes beschoten bij hem aanklopt met een fles tequila. Het aftasten, de aarzeling, de mengeling van lef en behoefte aan gezelschap van Harry daar aan de deur, de onderdrukte blijdschap, angst en verwarring bij Adam: het zit allemaal in blikken, houdingen en bewegingen, het schuilt in kleuren en timbre. De intimiteit loopt voortdurend doorheen deze wondermooie film en wil je weken, maanden in de hand houden. “It’s a long time ago”, zegt Adam over het verlies van zijn ouders. “I don’t think that matters”, antwoordt Harry. De liefde tussen beide heren is er één die je zo gelooft en het talent van de acteurs laat je verbluft achter.   

Hoeveel door hem verzonnen is en wat Adam echt beleeft, is voer voor discussie en kan je nagaan in Youtube-filmpjes, mij niet gelaten. Mooier is het om dit in het midden te laten en je te laten vervoeren, je te laten openbreken door deze doorklievende prent. All of Us Strangers is van een haast onnavolgbaar niveau in zijn biopsie van het diepe verlangen van de mens om gezien en geliefd te worden en gaat helemaal naar de kerncellen. De beleving van je kindertijd, de gepaard gaande spijt, de klok willen terugdraaien, de wens erkend te worden in je anders zijn, in je eigenheid. All of Us Strangers gaat ons allemaal aan.  

‘De gewone man’ is wit en denkt aan zijn koopkracht (dixit Vooruit)

Foto: HLN.be

Met stijgende verbazing kijk ik toe hoe Conner Rousseau en de gehele partijtop van Vooruit kans op kans laten liggen om de schade die Rousseau met zijn racistische uitspraken heeft aangericht, te herstellen. Vooruit heeft haast. We kunnen niet snel genoeg tot de orde van de dag overgaan. Het moet weer over ‘de essentie van de politiek’ gaan en daar hoort de strijd tegen racisme duidelijk niet bij. Vooruit wil het weer zo snel mogelijk opnemen voor ‘de gewone man’, waartoe de diep beledigde mensen met migratieachtergrond duidelijk niet behoren.

Goed fout gedachtengoed

Conner Rousseau heeft politieagenten gezegd dat ze ‘het bruin gespuis’ dat de Roma volgens hem zouden zijn ‘met hun matrak in elkaar moeten slaan’ omdat ‘hij ze niet allemaal zelf kan buiten zetten’. De agenten moesten ook bij een vriendin van hem zijn ‘om zich te laten afzuigen’. Dat alles heeft niets te maken met zattemansklap, maar met hoe je diep vanbinnen over mensen denkt.   

Hoe vals klinken excuses als Rousseau in eerste instantie de gelegenheid te baat grijpt om op een persconferentie nogmaals uit te halen naar ‘de problemen bij de Roma-gemeenschap’ en zich te verschuilen achter ‘zattemansklap’? Je uitspreken over problemen met bepaalde groepen is geen racisme en dat heeft niemand beweerd. Alle leden van een groep bij voorbaat over dezelfde kam scheren is wél racisme en je verschuilen achter die bestaande problemen om je racisme goed te praten is laf, intellectueel oneerlijk en moreel verwerpelijk.

Last van het gedoe

Conner Rousseau zegt nu een ‘lelijke, zware fout’ te hebben gemaakt ‘waarvoor hij zich schaamt’. Een verspreking, een te scherpe formulering, te weinig aandacht voor andermans gevoelens: dat valt onder ‘fout’. Mensen in elkaar willen slaan en willen buitenzetten omdat ze ‘bruin gespuis’ zijn, is een gedachtengoed.

Rousseau had maar één ding kunnen zeggen dat écht waarachtig is: “De manier waarop ik denk en spreek over bepaalde mensen is fundamenteel verkeerd. Ik ga bij mezelf te rade en ga hieraan werken. In de manier waarop ik momenteel functioneer, is het onmogelijk om voorzitter te zijn van een politieke partij – niet op links en niet op rechts. Ik heb alle geloofwaardigheid verloren om het op te nemen voor mensen met een migratieachtergrond en net zij hebben mijn steun nodig in tijden van polarisatie, racisme en discriminatie. Deze thema’s behoren vandaag tot de essentie van de politiek, tot de zorgen van de gewone man – meer bepaald die met een migratieachtergrond -, waarvoor mijn partij het altijd heeft opgenomen. Ik sta die centrale opdracht in de weg en moet dus plaats ruimen.”

In plaats daarvan heeft Rousseau het over “het gedoe rond mijn persoon” die “afleidt van de essentie”. Geen woord van verbinding naar de mensen die hij heeft beledigd. Het gaat “te veel over mij, niet over waar Vooruit voor staat”.

Wel, dat heeft hij dan mooi over zichzelf en zijn partij uitgeroepen. Het is een self fulfilling prophecy. Als je maar blijft de verkeerde dingen zeggen, als je maar blijft jammeren dat jij en je partij geviseerd worden in plaats van je diep om de Roma en om alle mensen met een kleur (en om vrouwen en punkers) te bekommeren na je ranzige uitspraken, als je dader en slachtoffer blijft omwisselen, dan zal de pers zijn verantwoordelijkheid nemen en blijven terugkomen op jouw persoon en op hoe jij denkt en ook op hoe je partij zich in stilzwijgen hult en zich blijvend laat leiden door de dampende geur van electorale winst. De ratrace stopt pas zodra je niet langer raaskalt, maar dat lijkt het partijbureau van Vooruit maar niet in te zien. Zot van peilingglorie zien de socialisten elke kritiek op hun voorzitter als een politieke afrekening. Voor hen is racisme een lastige vlieg die de vergadering verstoort, ze meppen ze liever dood. Volgens Bruno Tobback had voor 90% van het partijbureau het ontslag niet gehoeven. Doe maar lekker ranzig, we staan op winst.

Onze grote held

Onder al die navelstaarders spant Vlaams fractieleidster Hannelore Goeman de kroon. Ze noemt de beslissing van haar voorzitter om ontslag te nemen “Conner ten voeten uit: iemand die verantwoordelijkheid neemt en vooral wil dat het gaat over de essentie, over onze strijd voor eerlijke kansen, voor koopkracht, voor betaalbare gezondheidszorg, een strijd die we zullen blijven voeren mét Conner.” Geen woord over de strijd tegen racisme, geen woord over de mogelijke pijn die de één op vier Vlamingen met migratieachtergrond voelen bij de woorden van Conner Rousseau. Kunnen we het nu eindelijk terug hebben over hoe mensen naar de winkel kunnen blijven gaan? En mag Conner nu gewoon terug meedoen, zeg? Hij heeft het al zo zwaar.

Ook bij de nieuwe voorzitter Melissa Depraetere hetzelfde geluid en dezelfde adoratie voor de grote leider die de socialisten weer hoop had gegeven. Ze herinnert er wel aan dat ze zijn uitspraken al eerder had veroordeeld en dat die niet stroken met waar de partij voor staat, maar voegt er in één beweging aan toe dat Conner zelf ook niet zo denkt (het moet zijn alter ego geweest zijn dan) en dat ze op een nauwe samenwerking blijft hopen. Depraetere heeft “ongelooflijk veel respect voor de keuze die hij gemaakt heeft” – een keuze die er in elke progressieve partij nooit één zou mogen zijn. Hoeveel afstand heb je dan genomen? Denk je werkelijk dat die 1 op 4 Vlamingen daarmee genoegen neemt?   

Freddy Willockx, Frank Vandenbroucke, Freya Van den Bossche en Caroline Gennez: de kopstukken rollen elkaar over de voeten om hun dank en steun te betuigen aan de voorzitter. Allemaal alleen maar bezig met de interne keuken en de knapperige gerechtjes die daar worden opgediend, het zitje dat voor hen werd gereserveerd, stekeblind voor al wat zich daarbuiten afspeelt.

Wat voel ik mee met de JongSocialisten die wel nog helder kijken en het ontslag ‘de enige juiste beslissing’ noemen. En met Els Rochette van Vooruit.brussels, die voor de persconferentie van Rousseau liet optekenen dat de uitspraken “absoluut onaanvaardbaar” zijn en dat er “een sterk signaal moet komen”. Over Rousseaus toen nog aankomend ontslag: “Ik zal dan proficiat en dank u wel zeggen. Dan kunnen we verder.”

Ik vrees ervoor.  

Lekker vrijen om goed te praten

Je kunt de liefde prefab bedrijven, de stappen doorlopen van het basisplan, niets toevoegen van jezelf of je lief. Ze veilig beleven, niet buiten de oevers treden van je gevoel. Er zijn mensen die dat doen en – eventueel – met hun catechismus de duivel pletten, met de Koran hun onderbewustzijn slaan, elk verlangen doden. Er ruist iets door hun struikgewas, er roert iets in hun broek, ze smoren het tijdig in de kiem en leven voor de helft.

En dan zijn er jij en ik en onze ontmoeting in het kader van een wip, omdat het kon. Het was niet voorzien dat we elkaar zo graag zouden zien, of toch niet zo snel, maar het klopt. Logisch gewoon. Je had maar net gezegd waar je werkte en onze fantasie zat al in het ballenkot van je basisschool. Had ik je eigenlijk al gezegd dat je daar lange voetbalkousen droeg onder een shortje en ik op zoek was naar mijn bal?

Mijn diepste kreten en breedste gedachten kon ik al met je delen in de app. Nog voor ik de trappen van de stationshal betrad, was de ban al gebroken, het hek weldra van de dam. Deze jongen mocht bij jou komen spelen, we wisten van elkaar vooraf al hoe graag we het deden, in welke vormen en gedaanten, hoe hard of hoe zacht en met hoeveel.

Het is niet het mysterie dat tot hartstocht leidt, noch het geduld, hoe lang houd je eiwit stijfgeklopt? Neen. Alleen van ongeremdheid en open communicatie wordt ons kruis nat en gaan de poorten open. Daarachter loopt een spoor van ontspanning en veiligheid, vertakken zich wegen om langs te verbinden, krioelen hersenspinsels om in lepeltjeslig samen doorheen te woelen, terwijl je haar langs de slapen streelt. Er ligt een Kalmthoutse heide aan brandbaar materiaal, je hoeft het vuur maar aan te poken.

Je moet zo snel mogelijk vrijen en doortastend kijken naar de stafkaart die zich daarop ontvouwt. Daar pas zie je wie zij of hij is, daar pas kan je echt ontmoeten. Daar pas zal je gelukkig zijn, waar alle keurslijven en kuisheidsgordels zijn afgeworpen.

Vandaag zijn er mensen die scholen in brand steken omdat we in de klas kinderen met elkaar gaan leren praten over hun relationeel, amoureus en seksueel leven, omdat we ze gaan leren uitdrukken wat ze voelen. Deze mensen hebben zelf angst om in de hete soep te roeren die hun lijf is, ze zijn bang van zichzelf en zullen zichzelf nooit ontdekken. Ze zijn niet bereid om de noden en behoeften van hun lief te leren kennen. Ze zweren liever bij religieuze boeken, geschreven door mannen die nooit een vrouw hebben ontkleed noch ontleed, niet langs al haar poriën. Ze ontzeggen mij het volle leven en vragen respect voor hun geloof.  

Ik ontmoette een vrouw met wie ik in balans lig. Ze leest mijn betrouwbaarheid niet af aan de lengte van mijn langste relatie. Ze checkt niet langs controlevragen of ik er zou zijn voor haar kroost. Ze duwt geen trauma’s in mijn nek nog voor ik weet waar ze woont. Want ze voelt zich goed in haar vel, praat vrij over seks, werpt alle schaamte af en kan daardoor in zichzelf kijken en zich op anderen richten. Ze is een toonbeeld van persoonlijke groei. Tegen die groei gaan in Brussel 2000 mensen betogen.

Deze vrouw wil mijn verlangens kennen, ze leest alles wat ik schrijf, ze kronkelt rond mijn woorden, ze spint van mijn taal, we doen aan spelling, we verzetten onze zinnen en bakens. Ze vertelt me dat ze droomt van een app om piemels naar lengte, vorm en daadkracht te catalogeren, want ‘je krijgt dat zelf niet bijgehouden’. We lachen ons dood. Even later ligt mijn pijn in haar schoot, over vrouwen die je verwijderen op Tinder, over vrouwen in de knoop, over een redder zijn in nood zonder zelf te worden gehoord. Over een kind dat nog steeds niet is geboren.