Martha

De trappen naar je appartement leken ladders, zo steil. Op de treden ijzeren randen, je hoorde me tot boven aangestapt. Uitgeput kwam ik bij je en vierhoog tot rust. Je kat die behangpapier opkroop en achter vliegen joeg, zocht zich een weg tussen vaak kruisende benen, aan die van jou kwam geen eind. Ik schrok er van toen ik onder de lakens head down naar beneden kroop, ver voorbij je dons lagen nog voeten bloot, een onderbeen. Ik had werk voor de boeg.

Je betaalde in die tijd 9500 frank en voorbij de aftandse gang deed niets mij aan een vorig leven denken. Een eerste plek in de stad, een houten vloer waaruit tekstlijnen kraakten, planten groeiden er wild en eigenwijs. Hier begon mijn schrijversleven, dat moest. In mijn gedachten stond Jeroen Brouwers er intelligent door het raam te turen. Boven het volk verheven, raapte hij met één blik op de straten klinkers op, door zijn eigen rookpluim zag hij verhalen opduiken. Alle schrijvers rookten, in mijn hoofd. Dat moest ik zelf nog leren, want ik had astma. Het was een kwestie van tijd.

Je douche stond in de keuken, met alleen een schort aan imiteerde ik The Naked Chef. Misplaatst, want koken deed ik weinig. Ik droogde me af met een keukenhanddoek, dat ging, mijn borst lag toen nog ingevouwen, er viel nog zoveel te inhaleren, bleek en broos waren we onder de kin. Ons hoofd puilde uit, dat wel. We hadden net een thesis geschreven, praatten over internationale politiek of over wat we daarvan wisten. Het was het jaar 2000 en alles moest nog beginnen.

Je was net iets ouder, maar lag vele jaren voor. Je serveerde me Indische gerechten waarvan je de naam kende, ik slaagde erin curry te onderscheiden en proefde alles waarvan ik nooit eerder had gehoord, kardemom bleek een kruid te zijn. Je kon geweldig koken.

Tussen de keuken en mijn gevuld oosters bord stond op een bordeaux, krakkemikkig boekenrek je miniketen. Met in één hand de wok legde je cd’s op. Tracy Chapman, Nick Cave. Boven gebakken rijst trok je mijn wereld en zes zintuigen open. Ik absorbeerde alles, liet het binnensluipen, maar op één song was ik niet voorbereid. Toen niet, nu niet, nooit: ‘Martha’. Tom Waits. Een man belt met bevende stem zijn oude liefde op, na veertig jaar. Vanuit een telefooncel, de muntjes trillen in zijn hand. To meet her out for coffee, while they talk about it all. Ik hoor het en versteen, leg mijn vork neer.

Those were days of roses, poetry and prose
Martha, all I had was you and all you had was me
There was no tomorrows, we packed away our sorrows
and we saved them for a rainy day

In die tijd begonnen vrienden kantoren in te palmen, huwelijken te plannen en minder te zoenen, in echtscheidingen mondden zij uit. Wij hadden geen haast en geen bestemming, draaiden de plaat nog eens om. We lieten, lui als we waren, de tijd het werk doen, lieten ons niet verleiden bruggen te bouwen op wat onderaards verschoof. Wij dreven als vanzelf uiteen en op tijd, zonder kinderregeling.

Ik kon me niet in je nestelen toen, met kamillethee. Van je platenkast trilde ik uren na, ik moest er dagen bij blijven zitten. Denk Jim Carrey, die voorbij een valse wolk een nieuwe wereld ontdekt en uit de Truman Show vertrekt. Ik was een nietsvermoedend wandelaar met een baguette en salami op zak, die de Macchu Picchu ziet verschijnen. Je trok een deur open, er kwam lucht binnen, ik moest weg. ‘Old man’ van Neil Young ga je zelf aan, je beluistert het niet verdeeld en verdund. Lyrics dienden nodig door mij worden opengelegd en omgedraaid, vroegen om op eigen mansardekamers te worden geanalyseerd. Stokoude songs, in perkament neergelegd, moesten hoogstpersoonlijk worden doorleefd en in nachtelijke bars worden nagespeeld.

Leonard Cohen deed me niet in je armen belanden, ik moest nog veel other kind of lovers zijn. Ik zou, in satijnen kamerjas, in een Chelsea Hotel, goodbye-gedichten schrijven aan een eiken tafel. Op de achtergrond, in flou artistique, trokken diva’s achteloos hun rood geruit flanellen hemd weer aan, daarna pas hun broek. Ze zouden gaan na het ontbijt. Giving me head on the unmade bed, while the limousines wait in the street. Dat ik weg zou gaan, was geen keus, maar ik wist het nog niet.

I was always so impulsive, guess that I still am
And all that really mattered then was that I was a man
Guess that our being together was never meant to be
Martha, Martha, I love you, can’t you see?

Ik wilde het graag kunnen zijn: zo’n dichter die met pennenstreken een lief afschrijft, in zesde druk. Maar dat was ik niet, ik had een blinde angst je pijn te doen en die zat ik te verdrukken. Een beetje zoals mijn grootmoeder haar kanariepiet onder een berg keukenrol wegkijkend plette. Ik wist niet dat iemand ook zijn vleugels uit kon slaan zodra ik weg zou gaan, dat een lief dat overleeft en nog van straat geraakt, dat had geen ouder mij verteld. Ik zag indachtig een leeg bord, een onbeslapen kussen, je twijfels wat te doen met dat boek van Jamie Oliver, je kleermakerszit op parket, je bijeen gekeerde moed op een blek.

And I feel so much older now, and you’re much older too
How’s your husband, and how’s your kids, you know that I got married too
Lucky that you found someone to make you feel secure
‘Cause we were all so young and foolish, now we are mature

Deze long distance call uit een phone booth trok in 2000 langs vingertoppen en oorschelpen in 4 minuten 28 een spoor van paniek. Ik voelde kolkende liefde maar ook mijn nakend vertrek, alles werd op scherp gezet. Overweldigend, maar er speelde nog veel meer.

Want Martha is geen love song, geen ode van een oude knar. Waits was 23 toen hij in 1973 Martha schreef, ik was even oud toen ik het zonder waarschuwing hoorde. Zat ook hij op zijn nulpunt, na jeugd en studies, aan de drempel van zijn eigen leven, te twijfelen of hij weg moest gaan? Zo lijkt het wel. Martha is een voorafname op verpletterende spijt, een vooruitblik op een terugblik op een mislukt leven, op een kapitale vergissing. Martha beschrijft de oerangst.

Ik ben 23. Voor een poster van James Dean zit ik curry te verteren. Langs indringende pianotoetsen word ik vijftig jaar de toekomst in gezogen en ik zie er het beeld meteen voor me: vermoeid en versleten zit ik voor me uit te koken wanneer ik een spatel zoek en een schuif opentrek. Ik zie een oude schort en stort in.

I remember quiet evenings, trembling close to you.

Premier De Crom spreekt

Beste, hartelijke Belg,

Op elke persconferentie zeg ik hetzelfde. Ik dank je voor de inspanningen en vraag nog even vol te houden. Ik vertel je dat het voor mij en mijn familie ook zwaar is en hoop dat je daar iets aan hebt. En dan kondig ik een reeks maatregelen aan, of ik hoop dat je blij wordt van een nieuwe versoepeling: tuincenters die open gaan, een beetje meer volk op trouwfeesten, op kerst een extra vriend in je huis. Met al die zoethoudertjes, dat gemorrel in de marge, gaan we stoppen. Vandaag komen we met het totaalplan dat je van een regering mag verwachten. We gaan je uit deze crisis loodsen op een even doortastende als humane wijze. We gaan ons aan de regels houden, maar we gaan ook plezante dingen organiseren.  

Die regels zijn simpel: afstand houden en contacten noteren. Elke activiteit is voortaan toegelaten en elke zaak mag heropenen zolang de anderhalve meter afstand gegarandeerd blijft tussen mensen die niet tot eenzelfde groep deelnemers of bezoekers horen. Baseball of tafeltennis zal dus allicht kunnen, voetbal of volleybal niet. Cafés kunnen weer open, kappers uiteraard niet. Dit zijn slechts voorbeelden, want we stoppen definitief met de wel/niet-lijstjes omdat we de discussies erover niet meer kunnen uitstaan.

Je mag dus opnieuw met een groepje ergens naartoe of aan deelnemen, ook met mensen dus buiten je gezin. Voortaan mag je op een periode van 14 dagen maximaal 8 verschillende mensen ontmoeten waarmee je de afstandsregel langer dan een kwartier niet respecteert. Je mag deze mensen in die periode onbeperkt zien, maar voor elke ontmoeting noteer je datum, naam en contactpersoon. Test je positief, dan wordt tot veertien dagen terug iedereen op je lijst onmiddellijk getest.

De lijst is op naam beschikbaar op de website van Binnenlandse Zaken of in de corona-app. Je moet hem bij controle kunnen voorleggen en iedereen waarmee je op dat moment op pad bent, moet er dan ook zeker op staan. Mensen die je op straat kruist en stilstaand even mee praat, moeten niet op de lijst. Bij georganiseerde evenementen moet je de lijst bij de inkom voorleggen en worden de identiteiten gecontroleerd.

Deze mensen mag je ook binnen zien maar slechts één van hen mag je knuffelen. En enkel wie niet te veel mensen ziet, mag op kantoor gaan werken. Welzijn primeert op economie.

Het idee van de vastliggende nauwe contacten laten we hiermee los. Je mag van contacten wisselen zolang je in de afgelopen veertien dagen maar niet meer dan 8 mensen nauw ontmoet hebt. Dus vrijgezellen kunnen voortaan meer ongebonden aan het daten slaan. Ook hoef je niet langer uit schuldgevoel steeds dezelfde eenzame uit te nodigen – die op zijn beurt je kinderen niet meer kan luchten. Je hoeft niet langer steeds dezelfde mens met zijn onhebbelijkheden te verdragen zonder er seks mee te mogen hebben.

Deze verplichte contactenlijst gaat het ons mogelijk maken om weer het eigen leven op te pikken. Wie nu gaat beginnen zagen over schending van de privacy zal verplicht worden om twintig bladzijden te schrijven met de zin ‘Ik zeur over de grondrechten en besef dat ik hiermee het leven van iedereen moeilijk probeer te maken en de volksgezondheid indirect in gevaar breng’. De avondklok schaffen we af om van vergelijkbaar gezaag verlost te zijn. Wie er nu toch nog een column over publiceert, wordt verplicht om ’s nachts te voet naar Scherpenheuvel te stappen.

De economie zal weer volop draaien, dus komt er meer geld in de staatskas. Dat zetten we in op meer controles. Er mag nu meer, dus treden we ook strenger op tegen wie die versoepelde regels alsnog overtreedt. De tijd dat we menselijkheid verwarden met laksheid, ligt definitief achter ons. Het is het laks optreden zelf dat onmenselijk is, omdat daarvan andere mensen de dupe zijn en het met hun leven bekopen. Menselijkheid betekent daarom juist streng zijn. We verontschuldigen ons dat we dat lang niet hebben ingezien. Dat was dwaas en ik ben niet te beroerd om dat toe te geven.

De fiscale meeropbrengsten van dit beleid zetten we in op het spoor van de draaglijkheid. We gaan corona draaglijker maken en daar hebben we geld voor over. Voor uw welzijn, om het allemaal vol te kunnen houden. Daar hebben wij oog voor, dat mag iets kosten.

Wat gaan we concreet doen? We gaan burgerinitiatieven steunen die het de mensen gemakkelijker maken om deze coronatijd door te komen. Een onafhankelijke commissie met leuke mensen als Wouter Deprez, Delphine Lecompte en desnoods Annemie Struyf zal alle creatieve ideeën in overweging nemen die eenzaamheid bij buurtbewoners bestrijden en/of het leven opvrolijken. Kandideren kan via een eenvoudig mailtje naar sihameelkaouakibi@letsgoearning.be. De commissie zal de voorstellen beoordelen en van het nodige budget voorzien. Al wie creatieve plannen heeft, mag zich dus helemaal laten gaan. Iets voor anderen kunnen in elkaar steken, geeft zin aan het leven. Natuurlijk willen wij dat als regering aanmoedigen. Het is normaal dat wij ons daarmee bezighouden, wij zijn niet meer dan een brug tussen burgers.

Zelf hebben we ook enkele plannen klaar. Reizen naar het buitenland blijft voorlopig verboden en daarom staan we voortaan het wildkamperen toe, om toeristische drukte op sommige plaatsen in eigen land te vermijden. Ook krijgt elke Belg een ‘vakantiecheque’ van 30 euro om te besteden aan materiaal voor sportieve en avontuurlijke vakanties, bij aankopen vanaf 60 euro. Zo trekt hopelijk niet iedereen naar Blankenberge of Durbuy. Voor elke ingeleverde cheque legt de overheid er ook nog 20 euro bovenop voor de festivalsector, want die zal allicht nog niet heropenen.

Buurt- en wijkcomités geven we budget om feestjes of cultuuractiviteiten op lokale pleinen mogelijk te maken. Kinderen krijgen daarvoor gratis krijt om vakken te tekenen waarbinnen de mensen hun danspasjes of enthousiasme mogen uiten. Minister van Jeugd Benjamin Dalle wordt belast met de verdeling van de krijtjes. Een aangeduide coronacontroleur zal er op toezien dat de regels worden nageleefd en dat het plezant genoeg is. Bij een hoge score op zijn blijheidsbarometer kan opnieuw een budget worden aangevraagd. Deze en andere welzijnsinitiatieven zal mijn collega Wouter Beke nog kort en krachtig toelichten.

Verder kunnen we al aankondigen dat het budget voor ontwikkelingssamenwerking die zich richt op bestrijding van de klimaatopwarming, verdrievoudigd wordt. Klimaatopwarming werkt de mondiale verspreiding van tropische ziekten en virussen namelijk in de hand.

Ik richt mij ook speciaal op al wie de komende maanden gevaccineerd wordt. Wees blij, gelukkig en dankbaar. Breng bezoekjes aan mensen met een korte contactenlijst. Pak lifters mee die een drukke trein vermijden en wens ze een mooie reis.

Laat ons, lieve landgenoten, het gezucht en gezeur ver achterwege laten en vooruitblikken op ongelimiteerde mogelijkheden, vrijheid en geluk, dat we als zuiver bergwater zullen herontdekken en herwaarderen.

Wij willen er staan voor jullie allemaal. Elk van jullie vormt voor ons zijn eigenste lobbygroep.

Geniet nu maar van de dag, wij waken over de lange termijn. Veel sterkte, we komen hier samen uit.

Ik ben niet eenzaam. Ik word zot.

‘Ben je niet eenzaam als je zo altijd binnen zit?’ De lockdownvraag. ‘Neen, zeker?’, denk ik dan. Eenzaamheid verbind ik aan onvolledigheid, aan een ander nodig hebben om een geheel te vormen, aan verpieteren omdat je niet gezien wordt, je ook buitenshuis niet wordt verbonden. Als eenzaamheid gaat over ineenkrimpen, verschrompelen, jezelf alleen nog in de hoeken van de kamer zien zitten, je knieën opgetrokken, dan kan ik eenzaamheid niet claimen. Dat kan ik niet maken.

Niet tegenover hij die hoorde zeggen dat hij niets kan, die ouders had die hem verkleuterden, broers die in hem niets zagen. Eenzaam is ook hij die zich daartegen heeft verzet, een vuist maakte, een eigen bedrijf startte dat nu over de kop ging, zijn zelfvertrouwen is weggevaagd. Zie je wel dat je het niet kan, fezelen stemmen uit zijn verleden, ze vreten aan zijn hoofd, hij bevecht ze mentaal: ‘het was tenslotte lockdown’.

Eenzaam is de moeder in de wachtzaal van de oncologie die een babysit regelt. Net wanneer ze belt – jas, trui en sjaal in haar schoot – wordt ze binnen geroepen. Ze haast zich, propt alles onder haar arm, een handschoen valt de gang in en blijft er liggen, een operatie lang. Voor haar eigen gezondheid krijgt ze geen bezoek.

Onder dat chirurgisch licht kan je me niet eenzaam noemen, dat is een onrecht. Juister is te zeggen dat ik zot word. Ik ben één met mezelf, maar vorm niet meer dan een geheel. Met niets dat uit mij rolt, raak ik nog iets aan. Uit mijn lijf willen duizend mensen naar buiten, maar weinigen zien het nut ervan in. Ze kunnen nochtans wat: plannen maken, de buurt opfleuren, een project lanceren, een wedstrijd arbitreren. Ze kunnen iets creëren. Maar voor wie?

Geen kind dat me opeist, geen vrouw die de weg wijst. Ik leid een luizenlockdown en die is listig: er kan veel en dat veel kan altijd later. Ik twijfel voor ik schrijf. Wat draagt het bij? Zou ik niet beter een boek lezen of een film kijken, rekeningen betalen, abonnementen annuleren, die vochtplek in mijn muur bekampen, een sticker tegen reclame kleven? Gewichten heffen voor een beter karuur, een lijst van taken maken? Er zijn veel gemiste geliefden om het allemaal voor te laten.

Ik loop de muren op om bij je te geraken, heb je lichaam van buiten geleerd. We moeten afstand bewaren, de tijd is niet nu. Ik ben een man van grote gebaren, spreek in grote halen, maar doe mijn best, ik mediteer. Ik probeer een kleermakerszit, mijn liezen breken. Ik zet thee. Ik tel de bladeren van een plant, er zijn er bij gekomen. Op Facebook worden met foto’s van een zonnetje dat door kale bomen heen recht in een plas schijnt, hormonen onderdrukt.

Mij maak je niks wijs. De kleine geneugten des leven zijn voornamelijk klein en schieten tekort en niet ver genoeg. Met dichtbundels over seizoenen steek ik de kachel aan. Ik haat de Kalmthoutse heide en al wie daarvan nog rustig wordt.

Mijn overtollige energie bal ik tot platina en zet ik in de zetel met een deken. Ze kan nergens heen, ik voel me een bedrogen zonnepaneel. Mijn smacht doet stoven branden. Met mijn geduld kan ik regeringen vormen, paleizen behangen. In Whatsapp-groepjes spreken buurtbewoners elkaar moed in, ‘hou vol’. Ik schakel alle meldingen uit. Trek uw plan.

Zal ik iemand bellen, zal ik iets bestellen? Of kan dat morgen ook nog wel?

(Een liedje over smacht. Gelukkig Nieuwjaar allemaal!)

Kerst, omdat het moet

Als je zo met kerst eens ergens anders zit, niet aan een feestdis met je warm gezin. Dan zie je het. In sommige families is het vet al lang van de kalkoen. Gesprekken, hoe gaat het écht, vallen te vermijden, veldrijden houdt de tafel recht. Op naar binnen geplooide bierkaartjes: ingeslikte woorden, worden ook dit jaar niet uitgesproken, ze stutten. Het is stuitend wat niet wordt gezegd.

In sommige families zijn ze met te veel door de modder gegleden, verloor iederéén zijn gezicht. Gezamenlijk doel: Mathieu Van der Poel, achter hem slibt alles dicht, het peloton kookt alleen nog uit een magnetron. Ze kijken naar elkaar en patineren: dit jaar niet bij ons. Dan maar op café, dat kerstdiner.

Ik zit in Bistro Kurt – Eten en Drinken en die doet niet meer dan hij belooft. Vol-au-vent, entrecôte, pasta bolognaise, aparte potjes gruyèrekaas, van die smalle witte, ze kantelen als je er twee vingers in steekt, wie verzint zoiets? Fijne Kerst, Joyeux Noël, Happy Christmas, Frohe Weihnacht, Feliz Navidad op papieren leggers voorgedrukt, de sfeer zit erin.

Aan de tafel voor mij zat een gezin van vijf, maar de zus moest vroeger weg. De twee broers zijn niet naar het midden, naar de lege ruimte opgeschoven, blijkbaar te lam. Het viertal eet nu in een parallellogram, in een scheve hoek, dat zit goed om schuine moppen op te vangen, maar het praat zo stroef en met een hernia.

De uiterst rechtse broer checkt zijn Strava, hoeveel man heeft zijn looptijd al geliket? Te weinig. Hij heeft er snel aan toegevoegd: ‘15km door modder geploegd. Mijn trappist nu wel verdiend’. Lees: hij is geen nerd, gewoon sportief. Hij neemt een foto van zijn glas. Aan de tafel voor mij gaat het gesprek terug naar af.

Daarachter, aan het raam, in een hoek: toch hartelijkheid. Voor een meisje is het uit met haar lief, ze toont tranen. Ze stort zich uit, half-half, binnen het nieuw samengesteld gezin. Houdt zij de moed er nog wat in? Haar moeder, tenslotte, heeft toch jaren moeten zoeken, haar pa nog steeds alleen. Ik leg een deken om haar heen, in mijn gedachten.

Mijn frieten worden wak, onderaan in deze gekunsteld ambachtelijke puntzak. Hij staat in een gekrulde houder van de Primark. Ik zou er liever bloemen in verwerken, ze Banksy-gewijs naar dat meisje werpen, als ware het een handgranaat. Van haar handlanger, haar toeverlaat, haar surrogaat-vader. Ik reken af. Misschien iets voor volgend jaar.

“Christmas, that’s family time”? Als het rondom knusjes is, is het makkelijk praten. We hebben niets in de gaten, voorbij onze dampkring. Op kerstavond is het mistig buiten, we keren binnenin. Mijn ma heeft sinds Sinterklaas het eten klaar, mijn pa kiest de beste wijnen.

Het voelt net even anders als alles van je verglijdt, als je wegkwijnt aan de fondue, gekeerd in je pannetje. Je broers staan hun mannetje, weten je weer te ondermijnen, je ouders zich weer eens niet te onderscheiden – niet van je meubilair.

Zit je in zo’n zijportaal, dan hoeft niemand je iets wijs te maken, je weet het allemaal. Dat kerstverhaal? Daar zijn we veel van vergeten, van het kribbetje behoorlijk afgeweken. Jozef en Maria: die vinden wel iets, ni? Ze kunnen boeken met Airbnb. In De Warmste Week hebben we al alles gegeven, en die vriend – die zijn vader verloor? Die heeft mijn berichtje gekregen. Sterkte. En moed.

Ik vraag me af wat hij voelt als hij zijn laptop open doet. Kom je eind december Facebook langs achter ingereden, ver van de private sfeer, langs het koude plein publiek, dan zal niemand je storen, er is niemand die je ziet. Neem jezelf een stoel. Iedereen plakt tegen de façade, tegen het raam hun smoel. Daartussen nog net een smartphone gepropt. Gezinnen willen worden gezien, liggen te vertakken over stoep, bomen, tot op straat. Aandoenlijk. Je kunt heelder huizen leegroven, op kerstdagen worden alleen maar selfies genomen. Koppeltjesgeluk is er nu “al veertien jaar lang”, lees ik. “And still counting.” Sla je slag, ga je gang, neem ze in hun hol. Ze zien je niet komen. Hun lens valt neer achter hun kruin, hun schaduw landt in hun stadstuin van Eden.

Melania, we gaan fietsen in Toscane

melania trump

Daar ben je zo rijk voor moeten worden, nu ben je zo alleen. Ik begrijp je wel, ik zie van ver hoe het is gegaan. Je man moet er bovenuit gestoken hebben, zijn ambities veroverden je hart. Je werd door zijn daadkracht aangetrokken, zijn macht moet je hebben gecharmeerd. Een man met ballen, waarvan je niet wist dat die zijn bestaan oriënteerden. De aantrekking komt eerst, het nadenken te laat.

Dat hij ook zorgzaam moest zijn, een luisteraar die in je diepste uren mee in het putje komt zitten, gehurkt op straatstenen wanneer je dronken je verdriet vertolkt, dat kon je toen nog niet bevroeden. Wist jij veel wat belangrijk was. Je stond in bikini’s gehuld, felle spots verstoorden je vergezicht, buiten de kring aanbidders zag je de leegte niet. Je hoorde je nog niet schreeuwen zonder geluid, je nog niet in witte huizen worden gemummificeerd, nog niet gegrepen worden zonder dat je bewegen mag, zonder dat één draad uit jezelf vertrekt.

Ik neem je mee, Melania. Een fietsvakantie van twee weken, we starten in Toscane, dat maakt de shock minder groot, ik wil je niet forceren.

Op de vooravond van dit nieuw begin nemen we de bus naar de Decathlon – ik doe aan autodelen en de wagen was niet vrij. We kopen een klein tentje, compact maar goed, het mag iets kosten want we kopen maar één zelfopblaasbaar matje, ik slaap wel op mijn handdoek. Ik zal toch op wolkjes liggen, denkend aan de Sloveense hellingen in je godinnenlichaam en hoe ze te overbruggen. Ik zal je niet aanraken tot je smelt.

Op de terugweg van de Decathlon passeren we langs de cinema, want film, daar zijn wij tweetjes gek op. Er kunnen ijspralines van af, want ons verlof begint. Heel even later al, komt onder botox je schoonheid vrij, ontpellen zich eerste lagen, valt zelfs jouw gelaat in asymmetrie, wanneer je door Penelope Cruz bewogen wordt. Ik voel je pijn, ze schuurt onder opperhuiden, je bent net als zij parelmooi en onbemind. Ik zwijg in alle buitenlandse talen over mijn adoratie voor Asghar Farhadi, ik neem de ruimte niet in, orakel niet dat zijn vorige film beter was. Dit moment is nu voor jou. Maximaal haalbaar – we kennen ons nog maar even – draaien je ogen op zacht. Voor tranen is mijn schoot nog niet veilig genoeg, maar in een holte van mijn schouderblad leg je je hoofd ooit neer, je zag al dat het kon.

Later, bovenop de berg, sta je te kijken van wat je hebt gepresteerd. Je drinkt verhit water, vindt een rand bezwete kaas en vanop je knieën sleur je met je tanden een stuk baguette vanonder je snelbinder uit. Je grijpt de laatste Snickers, hij is gesmolten, er hangt chocolade aan je kin en je stinkt zoals ik het wil. Nog steeds laat ik ruimte voor je seksdetox, maar als ik voel dat het moet, zal ik je nemen, wees dus ook gerust. Met gepaste pauzes, dan weer in tergende, anderhalve maat.

Beeld het je in, imaginair, hoe na de daad onze lichamen ontzweten, het jouwe tracht te zoeken wanneer het voor het laatst nog zo stilgelegd, verkalmd, ontzenuwd werd. Je ligt op je rug, je ogen gesloten, je armen langs je heen. Ik durf bij dertig graden over een dennenappel onder het tentzeil mijn arm naar je toe bewegen, tektonische platen schuiven na millennia weer in elkaar, continenten verbinden zich. Door je aderkanalen stromen Europese rivieren, ik volg al je vertakkingen, welke wegen leiden naar je hart? Je dommelt net niet in en het is dan dat ik je vraag: ‘wie ben jij?’.

Waarom Litouwen het Eurovisiesongfestival mag winnen

Ze zat neer in een breed gedrapeerd kleed van het nylon van glasgordijnen waarmee grootmoeders logeerkamers verduisteren om ons te slapen te leggen. Verfijnd en warm, vormeloos en ver uit de tijd. Een kleed dat onbeschadigde tienermeisjes in Franse dorpen dragen en zegt hoe jong ze nog zijn. De kleur: het naïef roos van eenhoornverhalen. Haar haren dun en sluik als middenvakbanen in fluisterbeton, geen bultje op hun weg. Ieva Zasimauskaitė uit Litouwen had nog niets meegemaakt, maar ik geloofde alles wat ze zong. From the very first kiss, I knew it’d end up like this. Op krantenredacties heet het klef, ik zeg ‘puur’. Ik zag dat het waar was, sinds even weet ik dat het bestaat.

Ik zag waar ze bijna brak, hoorde glas kraken in haar blik, een stem die overslaat. Schoonheid kan angstig maken, als je van liefde het harnas pelt, komt ze gevaarlijk dicht. Cynisme is makkelijk, roos is de moeilijkste kleur. Wie durft er kamers in behangen? Wat zullen we nog zingen als het protestlied is gedoofd? From the very first smile, I knew that I’d walk a mile. Iemand?

Ik zag gisteren een vriend. We praatten in open lucht. Zijn moeder is gestorven, euthanasie. ‘Je gaat op je laatste avond toch geen ziekenhuiskost eten?’, had hij gezegd, en was frieten gaan halen en een cola. Fotootje. Ze lachte samen met haar kleinkinderen, was klaar voor het einde, wilde sterk zijn voor haar man en zonen. I’m not afraid to grow old, if I have your hand to hold. Ook hadden we het over Trump en Iran en de handdruk van een schepen, geloof ik.

En over jij, jij. Jij doet in bergkapellen kaarsjes branden, voor de mama van mijn goede vriend. Jij ziet mij. Jij kunt me niet lezen, maar begrijpt de essentie. Jij hebt een eurovisie op mijn hart. Jij geeft licht aan een heel dorp. Jij leest geen krantenknipsels, maar legt je hand op mijn borst. No matter what comes our way, I feel like you’re here to stay. You were there right from the start and let me inside your heart.

Vanavond kruisen geëngageerde journalisten op verharde redacties de vingers voor de #metoo-song van Israël, het vluchtelingenlied van Frankrijk, het antiterrorismelied van Italië en ze hopen dat de klefheid niet wint. Ik kijk naar een roos kleedje, in het nylon van glasgordijnen.

Kouder dan de maan

Ons beste gesprek
ging over je ex
seks
is er nooit van gekomen

ik zat al in je vriendenzone
voor ik in je kamer kwam
jij

bent er nooit gekomen
bleef droger dan beschuit

was het niet meer uit,
nu ik langs je oor
mocht strijken?

waar een doorbraak
leek te lijken
legde je weer lijnen neer

je kat had geen naam
jij staat kouder dan de maan
en verder
van mij

kan je niet komen

mijn beste seks
was met mijn vorige ex
ver waarvan
wij

ooit zullen dromen.

Zo oud als The Scabs

scabs

Wij hadden de agenda’s samengelegd en een paar data op mail gezet om naar The Scabs te gaan zien. Drie weken later, op een vrijdagavond in Diest, paste het best naar co-ouderschapsregelingen, babysit en gecancelde meetings. Diest, dat was een eind rijden met de bedrijfswagen, maar je kon er makkelijk parkeren en we hadden het goed gevonden.

Bij het binnengaan kregen wij een stempel op de hand, was dat nu echt nodig? Ik was eind januari niet van plan om buiten te gaan smossen met twintigjarige meisjes die Guy Swinnen via hun vader kenden en The Scabs zelf ook wel goed vonden – “sommige nummers toch, ni allemaal”. Komaan, wij zijn vanachter in de dertig.

Wij, dat zijn vier vrienden die al erg lang geen liquor store meer gerobbed hadden, maar vanavond gingen uitvissen hoe dat alweer gevoeld moest hebben. The Scabs, dat heette mijn eind jaren negentig smerige sound, vettige gitaren, hun stemvork was een boomzaag. The Scabs stonden voor pijn, opengereten wonden en schuldgevoel bij het dumpen van een meisje van een weekend. De nasale Swinnen: de hard times in hoogsteigen persoon, je brulde mee en omhelsde vrienden, verenigd in de smart. Je spoelde door met liters bier dat in je T-shirt van een week plakte, vrienden botsten lallend in smalle steegjes tegen elkaar aan, als fletse golfslagjes tussen kaai en vissersboot. Eindigen deed je in een plas voor je kot. I had the time of my life, ‘till the day that my luck took a dive. De straat mocht het weten, wie had zoveel verdriet?

In Diest waren de jeugdpijnen al lang begraven en na echtscheidingen relatief gebleken, we waren verstild. We overlegden wie Bob zou worden en legden een potje, voorlopig twee bonnekes de man. Ik dacht mijn jeugd terug te spoelen, maar we  hielden een jas om de arm. We stonden achteraan, niet te ver van de toiletten. Willy Willy zag ik nog een duim hoog, een skydive zou er niet meer van komen.

Eind januari in een concertzaal in Diest voelde ik mij te oud om jong te zijn, te jong om oud te zijn. Ik voelde me onbestemd. Ik was tot wasdom gekomen, dat wel. Gewroet op de arbeidsmarkt had me nu echt een goede job gebracht en vier vrienden bleken al jaren afgeroomd boven te drijven. Veel gedoe dat niet meer gedaan moest worden, maar daarmee was ook het feest gedoofd.

Op Hard Times knuffelden wij echt en diep, maar bloednuchter en met geruite hemdjes aan, daarop een trui met een V-hals. Vrouwen rondom mij droegen een foulardke op manègeblousen, maar waren zich van geen barbarij bewust. Zij hadden dit avondje-nu-echt-eens-voor-zichzelf al maanden geboekt en bij trimestrieel uitgaan hoort gepoeder en burgerij. Ze praatten luid en namen de muziek niet in zich op. The Scabs als workout, het draaide om ‘er even tussenuit’. Om een boog die niet altijd gespannen hoeft te staan, om op tijd leuke dingen doen met je partner.

Voor deze vrouwen en hun mannen is het goed zo. Zij vertrekken voor de bisnummers om de babysit af te lossen, zij hebben een kroost om vroeg voor op te staan. Hun bestaan heeft zin dankzij prioriteiten, zij geven het leven door. Om middernacht zijn zij voldaan. Maar waar moet ik heen, kinderloos, als ik The Scabs niet meer voel? Als ik op een duizendste dansfeestje de fut wat verlies? Als ik twee pintjes en ne water drink?

Eind januari sta ik in een concertzaal in Diest. Ik zie in een twintigjarig meisje met crystal eyes de belofte van nieuwe sensaties, van onbedorven feestgedruis. Van helemaal opnieuw en samen helemaal anders. Ik heb een stempel op mijn hand. Haar vader zie ik niet.

Blijf cappuccino bestellen

vader-en-zoon-finno

“Wanneer ik op een zaterdagmorgen ergens in een gezellige Brusselse koffiebar omringd met kranten aan de cappuccino zit, denk ik: I love my life. Maar als ik uitzoom, zie ik mezelf aan die cappuccino zitten, terwijl de wereld druk doende is met webben weven voor de toekomst.” In dS Weekblad schrijft Lieve Van de Velde over de spijt nooit moeder te zijn geworden. Dat doet ze eerlijk en trefzeker, met weinig sentiment maar veel gevoel. Ze pent niet in grote halen, verliest zich niet in pathetiek. Ze bouwt een kaartenhuis van zinnen waarin elk woord telt. Lieve Van de Velde spreekt liever in treffende symbolen dan in grote verklaringen van ik-heb-pijn en wat-een-verdriet. “Over 25 jaar kijk jij aan de rand van het zwembad naar een zoon die zijn zoon leert zwemmen, terwijl ik nog altijd aan de cappuccino zit”, zegt ze aan een vriendin met kinderen. “In mijn geval blijven rol en status onveranderd bij het voortschrijden van de jaren, hoeveel reizen ik ook maak, hoeveel boeken ik ook lees, hoeveel yogahoudingen ik ook onder de knie krijg”, bedenkt ze nog in stilte.

Je bent een vrouw zonder kinderen, Lieve, en weet een man zonder kinderen te raken. Ik zit ook maar onbewaakt een weekendmagazine te lezen, wanneer je de vader in mij door elkaar schudt die ik in feestzalen met nieuwe meisjes weet te bedwingen. Je schrijft dat zonder kinderen er geen enkele draad uit jezelf vertrekt en een nieuw leven breit, maar net in die zin weet je met mij een verbinding te spinnen. Ik lees je voor het eerst en google je niet, maar voor mij ben je nu al schrijfster. Je hebt gereisd en hard geleefd, je absorbeert en stuwt weer uit naar al wie je lezen wil. Alleen uit jouw leven kon deze tekst komen. Hadden luiers en speelgoedtreinen je met één letter afgeremd, dan is elke cappuccino op elk terras meer dan de moeite waard geweest. Breng voor die bakjes troost bij mij het bonnetje binnen. In elk van jouw pennentrekken schuilt een vrucht. Blijf zitten waar je schrijft en vermenigvuldig u.

“Leg het risico op spijt in het vooruitzicht en een mens komt al eens uit zijn comfortzone”, zeg je. Jij hebt dat niet gedaan, schrijf je, je werd geen moeder. Je hebt gezocht naar ontplooiing en vond geen tijd voor kinderen. Dat steekt je.

Zie het anders, Lieve. Tenminste ben jij niet zonder zelfontplooiing aan een kroost begonnen, heb je niet bij voorbaat je dromen in een verkaveling geborgen, het geluk naar je nageslacht doorgeschoven en je fingers gecrosst. Neem een vooruitzicht als comfortzone en een mens loopt al eens risico op spijt. Sta op, zet bloemen in een vaas, verrijk mijn leven met je taal. Zij daar, zitten ook maar wat te knoeien.

Lees zeker ook het fantastische origineel, het verhaal dus van Lieve Van de Velde.

Grenzeloosheid gaat ons niet gelukkig maken

first_kissHet filmpje ‘First Kiss’, waarin nobele onbekenden elkaar innig tongzoenen, gewoon, op vraag van een camerateam, is op enkele dagen meer dan 50 miljoen keer bekeken. De reacties zijn volgens enkele nieuwsbronnen “overwegend positief”. Het heette dan ook  “jammer” te zijn toen bleek dat al die mooie mensen gewoon acteurs en fotomodellen waren, die alleen maar vrienden van vrienden binnendraaiden. Er werd schande gesproken, temeer omdat het allemaal reclame bleek te zijn voor een kledingmerk. Mogelijk zijn mensen toch niet bereid om lichaamssappen met eender wie uit te wisselen en wonderwel moeten we daarover teleurgesteld zijn. Een sprookje werd ons ontnomen en dat mogen ze met ons niet doen. Benieuwd of we dat zo erg hadden gevonden als enkele pokdalige, vette kwezels en andere repelsteeltjes elkaar een bek hadden gezet.

Mijn indigestie lag persoonlijk niet in de valsheid van het bericht – die was eerder een opluchting – , maar in het filmpje zelf en in zijn supporters. Waar indigestie thuishoort. Er waren tijden die inmiddels achter ons liggen, waarin sprookjes begonnen met ‘er was eens’, de prins langs haarvlechten minstens vijftien verdiepingen tot een zolderkamer moest klimmen om na die overgave een prinses te mógen kussen. Het was het eindpunt van een opbouwende rit en de start van een lang en gelukkig leven. De boeken gingen dicht en de kindjes moesten slapen. Vandaag staan we met 50 miljoen mensen te applaudisseren als de prins in de dark room een muil zet op een losgeslagen beest. ‘Er was eens een prins die in een donkere kamer een meisje binnendeed dat hij niet kende…’ De dark room hebben we gefatsoeneerd tot een drieminutenfilmpje waarin je verwacht dat de acteurs straks in dikke witte kussens neder deinen en Dove aan hun handen smeren. David Hamilton of Terence Malick. De wansmaak in flou artistique gehuld. Het maakt niet minder mottig.

O neen, ik pleit niet onschuldig. De één-op-éénband tussen een kus en wat ik liefde noemde, tussen seks en liefde ook, heb ik al eind jaren negentig doorgeknipt. Maar er kwam iets in de plaats, er was altijd iets. Spanning, opwinding, of, in bedenkelijke gedaanten, uitdaging, troost of revanche. Kussen is nooit mechanica geworden. Ik kus niet uit jaarlijks onderhoud, draait de molen nog? Komt het ooit zo ver, hoop ik niet dat 50 miljoen mensen daar op staan te kijken en er blij van worden. Dat we ons mondiaal als platte boeren gedragen, bevreesde ik al. Dat we dat sinds deze week officieel op tape zetten en collectief ondertekenen, blijft een schok.

Niets voelen voor iemand die je niet kent en die toch even kunnen ‘doen’. Liefst nog in beeld en voor de camera. Dat is vandaag de ultieme vrijheid. Daarvoor floepen de lichten aan, daarvoor staan we recht op alle banken. We zijn eindelijk op het punt dat nu echt alles kan. We mogen eindelijk doen wat we niet laten kunnen en doen waar we nu echt eens zin in hebben. We storten ons te pletter in LAT-relaties, scheiden meer dan we trouwen, we schuimbekken er op los en gaan wel in relatietherapie. Het moet misschien toch kunnen wat jij toen met die man deed in een bar, jaloezie is uit de mode. Alsof grenzeloosheid ons ooit geluk heeft gebracht.

Kobe Ilsen vond het allemaal van zo’n grote leutigheid dat hij voor VOLT de hele cinemaboetiek van het kusfilmpje nog eens overdeed, ‘maar dan met echte mensen’. De VRT liet het fragment ondertitelen in de hoop zijn nagekauwd idee nog eens planeetje-rond te laten gaan. Kobe lekkerbekte er zelf ook eventjes op los met een vijftigjarige “die zijn moeder had kunnen zijn”. Hij zei nog “sorry dat ik je naam niet eens weet”, die gekkerd. Daar moest de hele studio wel wat om grinniken en het werd nog een fijne avond.

Enkele weken geleden las ik een ontroerende column van een moslima die zich Dunyahenya laat noemen. Ze sprak openhartig over de negatieve reacties op haar hoofddoek. ‘Ik draag die ook om aan verleidingen te weerstaan’, zei ze. Gelukkig werkt ze niet aan het stadsloket. Zij past niet in onze normen en waarden.