“Als ik door Brasschaat rijd, voel ik me ook niet in België”

“Als ik door Brasschaat rijd, voel ik me ook niet in België. Ze rijden er voor amper 500 meter in monovolumes van hun villa naar de Delhaize en kopen er een ciabattabrood en voorverpakte hummus. Ze denken dat ze daarmee multicultureel zijn, maar hebben nog nooit een tram genomen. Hoe gaan zij ooit een band opbouwen met het gewone volk?”

Vooruit-voorzitter Conner Rousseau* laat in een nieuw gesprek met HUMO een ander geluid klinken.

HUMO: Waarom nam u contact op met onze redactie? Hebt u spijt van uw uitspraken over Molenbeek?

Conner Rousseau: “Neen, ik vind het belangrijk om de wereld simplistisch voor te stellen, zodat de mensen zich weer kunnen identificeren met de politiek. Als je gaat nuanceren, ben je weer boven de hoofden van de mensen bezig. Dat is echt hautain! Zo wil ik niet aan politiek doen.”

U bracht wel een hele hetze op gang.

“Dat was wel bewust, hoor, ik ben thuis in marketing en communicatie. (lacht) Kijk, de tijd dat we ons als socialisten moesten schamen omdat we opportunistisch dachten, daar kap ik mee. Ik wist dat ik genoeg had aan een scherpe uitspraak die jullie dan in de titel zouden zetten om te scoren, ook al had die verder niets te maken met de kern van het interview, namelijk dat ik hard mijn best doe en moeilijk nog rust ken want zo populair en daardoor hoofdpijn heb en dat ik monitor was op jeugdkampen en iemand met een moeilijke jeugd persoonlijk ken. Vervolgens heb ik dan op de radio gezegd dat ik snapte dat jullie die titel kozen, zodat ik sympathiek overkwam en het toch leek alsof ik er allemaal zelf niet aan kon doen. Zo makkelijk is dat allemaal, maar jullie hadden dat precies niet door, kan dat?” (lacht uit)

Euh…

“En ja, de rest is makkelijk, he. Al die wokers beginnen te flippen omdat ik zeg dat ik me in Molenbeek niet in België voel en gaan dat artikel in hun colère massaal delen, al hebben ze het niet gelezen. Slimme journalisten willen vervolgens bewijzen dat ze open minded zijn door die uitspraak te nuanceren en mijn moed te benoemen en plots lig ik met een extreme uitspraak ‘in het midden van het politieke bed’. Moeilijk is dat niet, he?”

Toch wil je je nu richten tot de Molenbekenaars?

“Ja. Als door mijn uitspraak sommige inwoners van Molenbeek zich gekwetst zouden voelen, wil ik me hiervoor excuseren. Voor mij is die bladzijde omgedraaid, ik begin vanaf vandaag weer met een schone lei. Ik noemde met Molenbeek ook maar een lukrake gemeente om integratieproblemen te benoemen, ik had het evengoed over Brasschaat kunnen hebben.”

Brasschaat?…

“Je moet de dingen durven benoemen. Als ik door Brasschaat rijd, voel ik me ook niet in België. Ze rijden er voor amper 500 meter in monovolumes van hun villa naar de Delhaize en betalen er met hun mastercard aan de automatische kassa – zonder met iemand te praten – voor een ciabattabrood en voorverpakte hummus. Ze denken dat ze daarmee multicultureel zijn, maar hebben nog nooit een tram genomen. Ze verduisteren hun fortuinen op de Kaaimaneilanden, maar als hun horloge van 35.000 euro wordt gestolen, twitteren ze dat stelen NOOIT – in drukletters – valt goed te praten. Hoe gaan zij ooit een band opbouwen met het gewone volk? Hier stelt zich toch echt een integratieprobleem.”

Hoe kan de regering dit integratieprobleem aanpakken?

“Wij pleiten als socialisten voor een goede sociale mix, we willen de getto’s doorbreken. Natuurlijk kunnen deze minderheidsgroepen nog steeds naar hun hockey- of poloclub, maar misschien moeten wij als samenleving dergelijke mono-culturele clubs niet langer subsidiëren. Als we niets doen, dan worden deze mensen heimelijk uitgelachen als ze op voetbalclubs met hun flinterdun Ralph Lauren-truitje op een geruit hemd komen aanzetten. We moeten deze mensen tegen zichzelf beschermen.”

“Ik zeg niet dat het burberrysjaalverbod er morgen moet komen, maar laat ons met alle democratische partijen het debat voeren.”

“Als socialisten pleiten we ook voor een burberrysjaalverbod achter het stadsloket. Beeld je in dat je als modale burger een conflict met je huisbaas wil aankaarten en je stoot op iemand met zo’n sjaal, die mogelijk nog nooit in z’n leven een appartementje heeft moeten huren. Gaat die jouw dossier eerlijk behandelen? Wij willen luisteren naar de modale Belg die zich hierbij niet veilig voelt. Ik zeg niet dat het burberrysjaalverbod er morgen moet komen, maar laat ons met alle democratische partijen het debat voeren.”

Volgens cijfers van Stad Antwerpen werken er maar drie Brasschatenaren met burberrysjaal aan een stadsloket.

“Het gaat ons om de symbolische waarde. Wij willen als partij een signaal geven: ‘bange burger, wij hebben jou gehoord’.”

Hoe kan je dit integratieprobleem bij de kiem aanpakken?

“Door in het onderwijs in te grijpen. Weet je dat er in Brasschaat leerkrachten zijn die uitsluitend in het Frans lesgeven omdat hun Nederlands te gedistingeerd is en hun ‘r’ blijft doorrollen? Zo sluit je kleine kinderen al bij voorbaat uit van de middenklasse en het gewone volk. Dit kan echt niet.”

“Als we vandaag niet ingrijpen, kweken we de Reuzegommers van morgen.”

“Als progressieve partij willen we ook dat kinderen vanaf een half jaar verplicht naar de crèche gaan. Je moet ze snel genoeg uit hun isolement halen, zodat ze leren dat andere kindjes met de tram en de fiets worden gebracht en dat de nanny die hen komt halen misschien gewoon hun eigen moeder is. Ze moeten zich de gewone omgangsvormen zo snel mogelijk eigen maken. Als we vandaag niet ingrijpen, kweken we de Reuzegommers van morgen. Dan draaien ze op hun 18 muizen door de blender en voeren ze visolie aan jongeren die toevallig niet tot het groepje behoren dat ze hun hele leven hebben gekend. We moeten die keten dringend doorbreken om er als samenleving op vooruit te gaan.”  

Dank je wel voor dit verrijkend interview, mijnheer Rousseau.

“Graag gedaan. Wil je er wel nog bij schrijven dat ik dus iemand in armoede persoonlijk ken en dat ik monitor ben geweest op zomerkampen voor moeilijke jongeren? Bedankt!”

*Dit interview is fictief. Gelijkenis met bestaande figuren berust geheel op toeval.

Beste Theo Francken,

(Foto: Redactie24)

U bent een klier, maar er is geen paniek: ook voor mensen met uw opvattingen zijn er plekken op deze wereld waar zij zich thuis kunnen voelen. Een begrafenisonderneming lijkt me wat voor u. Keurig voor het lijk de grond in zakt, hebt u familieleden op de prijs van de mahoniehouten kist gewezen. U hebt het verdriet niet gevoeld en de herdenking verpest, maar tenminste kwam niemand voor financiële verrassingen te staan. Daarvoor staat u garant en zo iemand hebben we nodig. U bent de niet geliefde boekhouder van de over-kop-gaande start-up, de beul aan het schavot. De man die over de cijfers waakt in het holst van de nacht. Iemand moet het doen en dat wil u dan wel zijn. Dat aura van verantwoordelijkheid laat u zich graag aanmeten, als het kilblauwe jasje dat u past.

Met verstomming en een koude rilling sta ik te kijken hoe u zich na één week afschuwelijke oorlog druk maakt over het leefloon dat Oekraïense vluchtelingen in dit land zullen krijgen. ‘Wie gaat dat betalen?’, is dus echt het eerste waaraan u denkt. Het antwoord wil ik wel geven, alvorens een paar miljoenen Belgen het u in de oren schreeuwen: wij. Wij, omdat wij vinden dat het moet. Omdat mensen aan het oostfront voor ons de kastanjes uit het vuur halen, de vrijheid en de westerse waarden waarover u zo graag orakelt met hun leven verdedigen. In de studio van De Zevende Dag kronkelt u op uw stoel, rollen uw ogen van onmacht, u kunt onze domheid niet aan, u kermt van de pijn, omdat wij het grote plaatje, het budgettaire drama niet zien dat op ons af dreigt te komen.

Ik stel u hierbij gerust en hoop dat u kalm wordt: wij zien wat het kost. Wij hebben gewoon collectief en zonder een seconde aarzeling beslist dat dat niets uitmaakt. En ik zit wel degelijk te rekenen, namelijk hoe ik – zonder ze af te breken – mijn hele kleerkast door het raam in een container kan steken, hoe ik de stenen van mijn koer uitbreek en ze bij die kraamkliniek in Marioepol laat leveren. Er is echt niets anders dat ons nu nog iets kan schelen.

Neem mijn jobadvies aan, mijnheer Francken, en blijf weg uit het parlementair halfrond, u bent een humanitair affront. Bespaar me dat u nog eens met de ogen rolt, of ik kom ze met mijn duimen diep in uw schedel rammen. U denkt van zichzelf breed en nuchter te denken, in u ontwaakt de rede ‘boven de emotie van het moment’ en dat is er weinigen gegeven. Allicht moeten we vervuld zijn van uw goedheid uw verstand met ons te willen delen, zonder u reden we blind de ravijn in.

Toch zijn wij het, en wij alleen, die onze ogen zouden mogen laten rollen van uw uitgekraamde onzin, van uw uit betonrot opgetrokken stellingen. U bestaat het te vinden dat de vluchtelingen in dit land enkel ‘bed, bad, brood en begeleiding’ zouden mogen krijgen. Dat we ze ‘onderhouden’ dus en begeleiden naar werk, maar ze niet moeten denken financieel iets op te mogen bouwen zolang ze die job niet vinden. Neen, dan hebben ze geen recht op een toekomst. Dat is een comapatiënt aan de beademing laten, dat is je oma droppen in een Vlaams woonzorgcentrum. Ze mogen in leven blijven, maar u hoedt zich er woordelijk voor dat ze ‘geluk zoeken’, dat is een brug te ver.

U bestaat het te denken dat mannen uit Charkov 1000km naar Lviv rijden, hun gezin er achterlaten om het misschien nooit meer te zien en in hun mogelijk laatste woorden stamelen: “Ga naar België, vrouwlief, want daar krijg je een leefloon, en als je er een job vindt en ze toch weer kwijtraakt, krijg je levenslang dopgeld.” Hoe ontheemd bent u, hoe vervuild zijn uw gedachten?

What doesn’t kill you, makes you sweeter

Lore Baeten

Liefste Lore,

“Ik ben geen mannenhater, ik vind mannen keilief!”, roep je bijna uit. De tranen rollen nog over je wangen als ze alweer in je lach verdwijnen. Wat ben je sterk. Je hebt Philippe Geubels en de kijkers van Taboe verteld dat een vriend je heeft verkracht toen je vijftien was, nu elf jaar geleden. Het heeft je geloof in mensen niet aangetast.

Ik voel een natuurlijke neiging om je in mijn armen te nemen, maar troost is een station dat jij al lang bent gepasseerd, laat staan dat je mij daar op het perron zou willen treffen. Ik hoop dat niemand je nu ongevraagd een kaartje stuurt, uit meelij – met zo’n lange ‘ij’ die te klef plakt, voor jou geen ticket terug naar af.

We doen daar niet aan mee. Deze brief is een ode. Liever dan dat ik je knuffel, schrijf ik wat ik knap aan je vind. Je verdriet wordt door iets overtroffen. Ik heb goed naar je geluisterd en één woord spreekt uit je lichaamstaal en al wat je zegt: sereniteit. Dat betekent ‘in harmonie met de wereld’ en het is hoe ik je zie. Van de weeromstuit moet die harmonie zich in jou hebben genesteld, doorheen die elf jaar. Je zat op een hoopje, een fles vodka tussen je knieën, zij kwam binnen en heeft je frigo gevuld. Je had wat argwaan, maar ze is niet meer weggegaan, jullie hebben het gezellig samen.

Je vertelt hoe vaak mensen je hebben gevraagd of je toen had gedronken, welke kleren je droeg, of je misschien een verkeerd signaal had gegeven. En hoe pijnlijk die vragen zijn, alsof je zelf schuld treft. Je had je in de sofa bij Philippe tot het delen van dat gevoel van onbegrip kunnen beperken, daarvoor had iedereen al lof gehad. Postkaartjes zouden bezegeld beginnen worden. 

Maar jij, Lore, bent verder gegaan. Je hebt gekozen om een cirkel van boosheid en frustratie te doorbreken omdat je weet dat je daarvan niet gelukkig wordt. Je hebt een hand naar een vreemde wereld gereikt en hebt getracht die te begrijpen. “Mensen zeggen zulke dingen om zichzelf te beschermen. Ze willen geloven dat zoiets hen nooit zal overkomen, zolang ze zich anders gedragen dan ik.” De credits voor die woorden gaan naar je psycholoog, maar jij bent het wel die ze belichaamt.

Je doet me denken aan dat meisje uit de film The Sweet Hereafter, dat als enige een busongeval met schoolkinderen overleeft. Een advocaat vertegenwoordigt de families en probeert voor het ondraaglijke een schuldige aan te duiden – de busmaatschappij, de wegenwerken, noem maar op. Het meisje weet dat daarvan niemand tot leven komt, heeft de grootste hel gezien en erkent gewoon dat de chauffeur in slaap was gevallen. Het dorp dat per se een oordeel wil vellen, leeft intussen in oorlog. Dat was in 1997, Facebook bestond nog niet.  

Is mildheid dan misschien een overlevingsmechanisme, omdat je anders toch maar van woede barst? Of voel je als vanzelf mededogen, laat de perceptie van feiten je koud als de feiten zelf erger zijn? Misschien is empathie het doeleind van leed. Of misschien, Lore, ben jij gewoon Lore en was je altijd al sympathiek.

Het is de dag na mijn sessie Taboe wanneer Dean Verberckmoes dood wordt aangetroffen in Zeeland. Op sociale media wordt de vermoedelijke dader ‘een monster’ genoemd. Een man met een ‘anti-sociale persoonlijkheidsstoornis zonder schuldbesef’ is kennelijk niet genoeg. Ik denk aan je woorden: we plaatsen hem buiten het mens zijn, dan zijn we gerust dat niemand van ons ooit zoiets zou doen. Uitsluiting als dranghek voor de oerangst.

Hoe zou de wereld eruitzien met meer Lores?

Heel veel dank voor je open woorden en veel geluk!

Hartelijke groet,

Johan 

(Bekijk zeker de prachtige aflevering ‘Vrouwen’ van Taboe, op VRTnu.)

Beste Connell,

Gelukkig en dankbaar voel ik me, rustig en verstild. Sterk onder de indruk. Je bijzondere, jonge leven is twaalf afleveringen van Normal People over me heen gerold en dit tapijt houdt me beslist warm voor een week. Ik ben een verwend passagier, ik ben beschaamd voor deze gratis reis op VRTnu. Mag ik alsjeblief ergens betalen? Misschien bij Michaël Pas? Komt het via de acteursgilde dan bij jou terecht? Als jij maar nooit voor je job moet strijden op de Kunstberg.

Wat ben je een mooi mens. Vaak wilde ik het scherm instappen, de onuitputtelijke liefde tussen jou en Marianne de goede kant opduwen. Ik wilde de bolster rond je scholierenbestaan verpulveren en meteen ook al je verdedigingslagen, je angst om in groep een mal figuur te slaan, je onvermogen te staan waarvoor je staat, te houden van wie je houdt en ervoor te gaan. Ik wilde je helpen stappen over te slaan, de dagen schrappen tussen je droom en je daad. De oneffenheden op je pad al rennend wegschrobben, als op een curlingbaan. Helaas ben je pas klaar als je klaar bent, onderweg verzamel je spijt. Ik wil nooit de vader van een twintiger zijn.

Je studentenjaren Engelse literatuur, je loopt de muren op in je kot. Je verdrukt paniek tussen je duim en je boek, je leest veel maar wazig. Je denkt aan haar, alleen aan haar, je houdt vol. Onder gemis en angst vervliegen de jaren en je talent. Je bent jong en bang.  

Maak je geen zorgen, Connell, je wil de moeite waard zijn, maar dat ben je al. Je verruilt met stapjes het kind voor de man, maar al die tijd, van nu tot dan, loopt een draad door je heen. Je twijfelt aan jezelf, je gaven krijgen vorm, maar komt het aan op reflexen, sta je pal. Je bent al jezelf, zelfs al ben je niet af.

Jij verdedigt de gewone man tussen rijkeluisstudenten, je hebt dan wel één keer je lief, maar nooit je afkomst verraden. Je treedt op en grijpt in als het moet. Je blijft bescheiden als je een literaire beurs behaalt. Ik vind het allemaal nog veel mooier dan hoe je zes uur lang een vrouw op handen draagt, want dat gaat.   

Vertrouw nu maar in wie je wordt, Connell, dat doen wij ook. Het was al prachtig en het komt helemaal goed.

‘Normal People’ is een Ierse young-adult-reeks van Hettie Macdonald en Lenny Abrahamson over de complexe liefdesrelatie tussen de tieners Connell en Marianne tijdens hun schooltijd en aan de universiteit. Gebaseerd op de gelijknamige bestseller van Sally Rooney. Tot 10 februari 2022 beschikbaar op VRTnu.  

Het woord ‘racisme’ maakt ons potdoof voor elkaar

De term ‘racisme’ wordt in het maatschappelijk debat verkeerd gebruikt en dat heeft kwalijke gevolgen voor zowel witte mensen als mensen met een migratieachtergrond. Hij wordt even vlot in de mond genomen voor bewuste aanvallen, vernederingen, beledigingen, uitsluitingen en vooroordelen op basis van afkomst, als voor onbewuste stereotyperingen in kinderverhalen of sprookjes, in traditionele gebruiken, in misplaatste grappen, in gedateerde sitcoms. Vandaag gebruiken we één term voor al die situaties. We zeggen dus eigenlijk dat niet helemaal doorhebben wat er mis is aan zwartepiet even schandalig is als iemand een appartement weigeren om zijn huidskleur of roepen dat hij terug naar zijn eigen land moet.

De term ‘racisme’ wordt in het maatschappelijk debat verkeerd gebruikt en dat heeft kwalijke gevolgen voor zowel witte mensen als mensen met een migratieachtergrond. Hij wordt even vlot in de mond genomen voor bewuste aanvallen, vernederingen, beledigingen, uitsluitingen en vooroordelen op basis van afkomst, als voor onbewuste stereotyperingen in kinderverhalen of sprookjes, in traditionele gebruiken, in misplaatste grappen, in gedateerde sitcoms.

Vandaag gebruiken we één term voor al die situaties. We zeggen dus eigenlijk dat niet helemaal doorhebben wat er mis is aan zwartepiet even schandalig is als iemand een appartement weigeren om zijn huidskleur of roepen dat hij terug naar zijn eigen land moet.

Bewust neerkijken op een ander

Racisme is volgens Van Dale (1) ‘de opvatting dat mensen met een bepaalde huidskleur beter zouden zijn dan mensen met een andere kleur, gebruikt als rechtvaardiging om mensen met een andere kleur slecht te behandelen’, of (2) ‘discriminatie op grond van huidskleur’.

Racisme gaat dus om een opvatting, een actieve gedachte van de racist dat hij of zij zich meer mag voelen dan een andere mens, en/of om anderen bewust uitsluiten omdat ze er anders uitzien. Een racist is volgens Van Dale dus iemand die heel bewust op een ander neerkijkt of een ander uitsluit.

Het is een kwalijke zaak dat onbewuste processen die voortvloeien uit een witte cultuur waarin mensen opgroeien gelijk worden gesteld aan de actieve gedachte dat een ander minderwaardig is. Clichés in je hoofd hebben, maakt je nog geen slechte mens. Niet helemaal door hebben dat het beeld van zwartepiet of een standbeeld van Leopold II kleinerend is bijvoorbeeld, maakt je niet plots inherent slecht. Daarvoor toch als racist worden versleten, is pijnlijk en beledigend, er wordt een oordeel geveld over hoe je bewust over een ander zou denken en voelen. Zo’n beschuldiging hakt er stevig in en ze wordt maar beter niet te lichtzinnig gemaakt. 

In kampen gedreven

Ze is ook extreem contraproductief. De witte mens die door een onbekende wordt beschuldigd van hoe hij zou denken of voelen, duwt heel begrijpelijk die beschuldiging radicaal terug. Jammer genoeg worden met dat actief terugduwen van de beschuldiging ook alle terechte bekommernissen van mensen met een migratieachtergrond weer niet gehoord.

Zij blijven onbegrepen achter en worden alleen nog bozer of verdrietiger en ik krijg meer en meer de indruk dat zij van de weeromstuit het voor zichzelf daarop nog erger maken. De boze, beledigde blanke Vlaming luistert niet meer, dus voelen zij de nood aan een nieuw rondje van dezelfde faliekante aanpak. Ze wijzen op de nefaste gevolgen van dagelijkse stereotypering, van tot vervelens toe aangesproken worden in het Frans of al te toegankelijk Nederlands, van verbaasde blanke blikken als ze ergens met hun Audi A4 arriveren, van ongepaste strelingen over hun kroezelhaar, en noemen dit alles racisme, omdat ze duidelijk willen maken dat dit ernstig is en hen dagelijks kleineert (wat het ook doet). ‘Racisme’ is de caps lock en het uitroepteken van de boze mail. Niemand luistert nog, iedereen vindt je vervelend en fanatiek.

Racisme is de caps lock en het uitroepteken van de boze mail. Niemand luistert nog, iedereen vindt je vervelend en fanatiek.

Dat je je met de meest beschaafde bedoelingen toch altijd vastrijdt met de term racisme, bewijst voor mij de column van Anouk Torbeyns in De Standaard. Ze schrijft: ‘Er is ook een sluimerende vorm van racisme, die eveneens gebaseerd is op diepgewortelde stereotiepe denkbeelden in de brede samenleving. Daar ontsnapt niemand aan. (…) Niemand wil van zichzelf zeggen dat ie racistisch is. We vinden het moreel verwerpelijk, dus geven we niet graag toe dat we met vooroordelen kampen.’

Torbeyns doet haar uitdrukkelijke best om niemand te beledigen, maar haar woordkeuze ‘racisme’ doet dat vanzelf, je kunt er niet rondfietsen. Het is uiteraard noodzakelijk om naar onze stereotypering te kijken, het is onze burgerlijke plicht om een betere persoon te worden voor anderen. Maar die stereotiepe denkbeelden maken van ons nog geen mensen die bij helderheid van geest stellen dat ze meer zijn dan een ander.

Raciaal denken als nieuwe term

Op wat Anouk Torbeyns de ‘sluimerende vormen’ van racisme noemt, hebben we dankzij de superdiverse samenleving meer en meer zicht gekregen, de oogkleppen vallen bij beetjes af. Maar de terminologie is niet mee geëvolueerd. Er ligt een heel veld open voor een term die alle vormen van clichédenken en vooroordelen benoemt die terug te brengen zijn op culturele denkbeelden, op angsten eventueel, maar die niet vanuit boosaardigheid of meerwaardigheid vertrekken.

Stereotiepe denkbeelden maken van ons nog geen mensen die bij helderheid van geest stellen dat ze meer zijn dan een ander. 

Door al wat kwetsend is en mensen stigmatiseert maar niet kwaad bedoeld is een naam te geven en van het racisme af te scheiden, kunnen we rond de tafel blijven zitten. Niemand hoeft zich beledigd te voelen en een grote groep kan in alle rust eindelijk de erkenning krijgen voor de onschuldig bedoelde, niet eens bewuste, maar o zo ondermijnende stigmatisering waaronder hij dagelijks gebukt gaat. Iedereen kan eens gaan kijken in hoeverre hij zich aan raciaal denken bezondigt en wat hij daar zelf aan kan doen of hoe het is gekomen – zonder dat iemand in zijn plek de antwoorden daarop geeft. Los dus van de beschuldiging, los van de zelfkastijding. Van verwijten is nog nooit iemand in beweging gekomen. Gaan we een schuldige aanduiden of zoeken we samen naar een uitweg?

Martha

De trappen naar je appartement leken ladders, zo steil. Op de treden ijzeren randen, je hoorde me tot boven aangestapt. Uitgeput kwam ik bij je en vierhoog tot rust. Je kat die behangpapier opkroop en achter vliegen joeg, zocht zich een weg tussen vaak kruisende benen, aan die van jou kwam geen eind. Ik schrok er van toen ik onder de lakens head down naar beneden kroop, ver voorbij je dons lagen nog voeten bloot, een onderbeen. Ik had werk voor de boeg.

Je betaalde in die tijd 9500 frank en voorbij de aftandse gang deed niets mij aan een vorig leven denken. Een eerste plek in de stad, een houten vloer waaruit tekstlijnen kraakten, planten groeiden er wild en eigenwijs. Hier begon mijn schrijversleven, dat moest. In mijn gedachten stond Jeroen Brouwers er intelligent door het raam te turen. Boven het volk verheven, raapte hij met één blik op de straten klinkers op, door zijn eigen rookpluim zag hij verhalen opduiken. Alle schrijvers rookten, in mijn hoofd. Dat moest ik zelf nog leren, want ik had astma. Het was een kwestie van tijd.

Je douche stond in de keuken, met alleen een schort aan imiteerde ik The Naked Chef. Misplaatst, want koken deed ik weinig. Ik droogde me af met een keukenhanddoek, dat ging, mijn borst lag toen nog ingevouwen, er viel nog zoveel te inhaleren, bleek en broos waren we onder de kin. Ons hoofd puilde uit, dat wel. We hadden net een thesis geschreven, praatten over internationale politiek of over wat we daarvan wisten. Het was het jaar 2000 en alles moest nog beginnen.

Je was net iets ouder, maar lag vele jaren voor. Je serveerde me Indische gerechten waarvan je de naam kende, ik slaagde erin curry te onderscheiden en proefde alles waarvan ik nooit eerder had gehoord, kardemom bleek een kruid te zijn. Je kon geweldig koken.

Tussen de keuken en mijn gevuld oosters bord stond op een bordeaux, krakkemikkig boekenrek je miniketen. Met in één hand de wok legde je cd’s op. Tracy Chapman, Nick Cave. Boven gebakken rijst trok je mijn wereld en zes zintuigen open. Ik absorbeerde alles, liet het binnensluipen, maar op één song was ik niet voorbereid. Toen niet, nu niet, nooit: ‘Martha’. Tom Waits. Een man belt met bevende stem zijn oude liefde op, na veertig jaar. Vanuit een telefooncel, de muntjes trillen in zijn hand. To meet her out for coffee, while they talk about it all. Ik hoor het en versteen, leg mijn vork neer.

Those were days of roses, poetry and prose
Martha, all I had was you and all you had was me
There was no tomorrows, we packed away our sorrows
and we saved them for a rainy day

In die tijd begonnen vrienden kantoren in te palmen, huwelijken te plannen en minder te zoenen, in echtscheidingen mondden zij uit. Wij hadden geen haast en geen bestemming, draaiden de plaat nog eens om. We lieten, lui als we waren, de tijd het werk doen, lieten ons niet verleiden bruggen te bouwen op wat onderaards verschoof. Wij dreven als vanzelf uiteen en op tijd, zonder kinderregeling.

Ik kon me niet in je nestelen toen, met kamillethee. Van je platenkast trilde ik uren na, ik moest er dagen bij blijven zitten. Denk Jim Carrey, die voorbij een valse wolk een nieuwe wereld ontdekt en uit de Truman Show vertrekt. Ik was een nietsvermoedend wandelaar met een baguette en salami op zak, die de Macchu Picchu ziet verschijnen. Je trok een deur open, er kwam lucht binnen, ik moest weg. ‘Old man’ van Neil Young ga je zelf aan, je beluistert het niet verdeeld en verdund. Lyrics dienden nodig door mij worden opengelegd en omgedraaid, vroegen om op eigen mansardekamers te worden geanalyseerd. Stokoude songs, in perkament neergelegd, moesten hoogstpersoonlijk worden doorleefd en in nachtelijke bars worden nagespeeld.

Leonard Cohen deed me niet in je armen belanden, ik moest nog veel other kind of lovers zijn. Ik zou, in satijnen kamerjas, in een Chelsea Hotel, goodbye-gedichten schrijven aan een eiken tafel. Op de achtergrond, in flou artistique, trokken diva’s achteloos hun rood geruit flanellen hemd weer aan, daarna pas hun broek. Ze zouden gaan na het ontbijt. Giving me head on the unmade bed, while the limousines wait in the street. Dat ik weg zou gaan, was geen keus, maar ik wist het nog niet.

I was always so impulsive, guess that I still am
And all that really mattered then was that I was a man
Guess that our being together was never meant to be
Martha, Martha, I love you, can’t you see?

Ik wilde het graag kunnen zijn: zo’n dichter die met pennenstreken een lief afschrijft, in zesde druk. Maar dat was ik niet, ik had een blinde angst je pijn te doen en die zat ik te verdrukken. Een beetje zoals mijn grootmoeder haar kanariepiet onder een berg keukenrol wegkijkend plette. Ik wist niet dat iemand ook zijn vleugels uit kon slaan zodra ik weg zou gaan, dat een lief dat overleeft en nog van straat geraakt, dat had geen ouder mij verteld. Ik zag indachtig een leeg bord, een onbeslapen kussen, je twijfels wat te doen met dat boek van Jamie Oliver, je kleermakerszit op parket, je bijeen gekeerde moed op een blek.

And I feel so much older now, and you’re much older too
How’s your husband, and how’s your kids, you know that I got married too
Lucky that you found someone to make you feel secure
‘Cause we were all so young and foolish, now we are mature

Deze long distance call uit een phone booth trok in 2000 langs vingertoppen en oorschelpen in 4 minuten 28 een spoor van paniek. Ik voelde kolkende liefde maar ook mijn nakend vertrek, alles werd op scherp gezet. Overweldigend, maar er speelde nog veel meer.

Want Martha is geen love song, geen ode van een oude knar. Waits was 23 toen hij in 1973 Martha schreef, ik was even oud toen ik het zonder waarschuwing hoorde. Zat ook hij op zijn nulpunt, na jeugd en studies, aan de drempel van zijn eigen leven, te twijfelen of hij weg moest gaan? Zo lijkt het wel. Martha is een voorafname op verpletterende spijt, een vooruitblik op een terugblik op een mislukt leven, op een kapitale vergissing. Martha beschrijft de oerangst.

Ik ben 23. Voor een poster van James Dean zit ik curry te verteren. Langs indringende pianotoetsen word ik vijftig jaar de toekomst in gezogen en ik zie er het beeld meteen voor me: vermoeid en versleten zit ik voor me uit te koken wanneer ik een spatel zoek en een schuif opentrek. Ik zie een oude schort en stort in.

I remember quiet evenings, trembling close to you.

Premier De Crom spreekt

Beste, hartelijke Belg,

Op elke persconferentie zeg ik hetzelfde. Ik dank je voor de inspanningen en vraag nog even vol te houden. Ik vertel je dat het voor mij en mijn familie ook zwaar is en hoop dat je daar iets aan hebt. En dan kondig ik een reeks maatregelen aan, of ik hoop dat je blij wordt van een nieuwe versoepeling: tuincenters die open gaan, een beetje meer volk op trouwfeesten, op kerst een extra vriend in je huis. Met al die zoethoudertjes, dat gemorrel in de marge, gaan we stoppen. Vandaag komen we met het totaalplan dat je van een regering mag verwachten. We gaan je uit deze crisis loodsen op een even doortastende als humane wijze. We gaan ons aan de regels houden, maar we gaan ook plezante dingen organiseren.  

Die regels zijn simpel: afstand houden en contacten noteren. Elke activiteit is voortaan toegelaten en elke zaak mag heropenen zolang de anderhalve meter afstand gegarandeerd blijft tussen mensen die niet tot eenzelfde groep deelnemers of bezoekers horen. Baseball of tafeltennis zal dus allicht kunnen, voetbal of volleybal niet. Cafés kunnen weer open, kappers uiteraard niet. Dit zijn slechts voorbeelden, want we stoppen definitief met de wel/niet-lijstjes omdat we de discussies erover niet meer kunnen uitstaan.

Je mag dus opnieuw met een groepje ergens naartoe of aan deelnemen, ook met mensen dus buiten je gezin. Voortaan mag je op een periode van 14 dagen maximaal 8 verschillende mensen ontmoeten waarmee je de afstandsregel langer dan een kwartier niet respecteert. Je mag deze mensen in die periode onbeperkt zien, maar voor elke ontmoeting noteer je datum, naam en contactpersoon. Test je positief, dan wordt tot veertien dagen terug iedereen op je lijst onmiddellijk getest.

De lijst is op naam beschikbaar op de website van Binnenlandse Zaken of in de corona-app. Je moet hem bij controle kunnen voorleggen en iedereen waarmee je op dat moment op pad bent, moet er dan ook zeker op staan. Mensen die je op straat kruist en stilstaand even mee praat, moeten niet op de lijst. Bij georganiseerde evenementen moet je de lijst bij de inkom voorleggen en worden de identiteiten gecontroleerd.

Deze mensen mag je ook binnen zien maar slechts één van hen mag je knuffelen. En enkel wie niet te veel mensen ziet, mag op kantoor gaan werken. Welzijn primeert op economie.

Het idee van de vastliggende nauwe contacten laten we hiermee los. Je mag van contacten wisselen zolang je in de afgelopen veertien dagen maar niet meer dan 8 mensen nauw ontmoet hebt. Dus vrijgezellen kunnen voortaan meer ongebonden aan het daten slaan. Ook hoef je niet langer uit schuldgevoel steeds dezelfde eenzame uit te nodigen – die op zijn beurt je kinderen niet meer kan luchten. Je hoeft niet langer steeds dezelfde mens met zijn onhebbelijkheden te verdragen zonder er seks mee te mogen hebben.

Deze verplichte contactenlijst gaat het ons mogelijk maken om weer het eigen leven op te pikken. Wie nu gaat beginnen zagen over schending van de privacy zal verplicht worden om twintig bladzijden te schrijven met de zin ‘Ik zeur over de grondrechten en besef dat ik hiermee het leven van iedereen moeilijk probeer te maken en de volksgezondheid indirect in gevaar breng’. De avondklok schaffen we af om van vergelijkbaar gezaag verlost te zijn. Wie er nu toch nog een column over publiceert, wordt verplicht om ’s nachts te voet naar Scherpenheuvel te stappen.

De economie zal weer volop draaien, dus komt er meer geld in de staatskas. Dat zetten we in op meer controles. Er mag nu meer, dus treden we ook strenger op tegen wie die versoepelde regels alsnog overtreedt. De tijd dat we menselijkheid verwarden met laksheid, ligt definitief achter ons. Het is het laks optreden zelf dat onmenselijk is, omdat daarvan andere mensen de dupe zijn en het met hun leven bekopen. Menselijkheid betekent daarom juist streng zijn. We verontschuldigen ons dat we dat lang niet hebben ingezien. Dat was dwaas en ik ben niet te beroerd om dat toe te geven.

De fiscale meeropbrengsten van dit beleid zetten we in op het spoor van de draaglijkheid. We gaan corona draaglijker maken en daar hebben we geld voor over. Voor uw welzijn, om het allemaal vol te kunnen houden. Daar hebben wij oog voor, dat mag iets kosten.

Wat gaan we concreet doen? We gaan burgerinitiatieven steunen die het de mensen gemakkelijker maken om deze coronatijd door te komen. Een onafhankelijke commissie met leuke mensen als Wouter Deprez, Delphine Lecompte en desnoods Annemie Struyf zal alle creatieve ideeën in overweging nemen die eenzaamheid bij buurtbewoners bestrijden en/of het leven opvrolijken. Kandideren kan via een eenvoudig mailtje naar sihameelkaouakibi@letsgoearning.be. De commissie zal de voorstellen beoordelen en van het nodige budget voorzien. Al wie creatieve plannen heeft, mag zich dus helemaal laten gaan. Iets voor anderen kunnen in elkaar steken, geeft zin aan het leven. Natuurlijk willen wij dat als regering aanmoedigen. Het is normaal dat wij ons daarmee bezighouden, wij zijn niet meer dan een brug tussen burgers.

Zelf hebben we ook enkele plannen klaar. Reizen naar het buitenland blijft voorlopig verboden en daarom staan we voortaan het wildkamperen toe, om toeristische drukte op sommige plaatsen in eigen land te vermijden. Ook krijgt elke Belg een ‘vakantiecheque’ van 30 euro om te besteden aan materiaal voor sportieve en avontuurlijke vakanties, bij aankopen vanaf 60 euro. Zo trekt hopelijk niet iedereen naar Blankenberge of Durbuy. Voor elke ingeleverde cheque legt de overheid er ook nog 20 euro bovenop voor de festivalsector, want die zal allicht nog niet heropenen.

Buurt- en wijkcomités geven we budget om feestjes of cultuuractiviteiten op lokale pleinen mogelijk te maken. Kinderen krijgen daarvoor gratis krijt om vakken te tekenen waarbinnen de mensen hun danspasjes of enthousiasme mogen uiten. Minister van Jeugd Benjamin Dalle wordt belast met de verdeling van de krijtjes. Een aangeduide coronacontroleur zal er op toezien dat de regels worden nageleefd en dat het plezant genoeg is. Bij een hoge score op zijn blijheidsbarometer kan opnieuw een budget worden aangevraagd. Deze en andere welzijnsinitiatieven zal mijn collega Wouter Beke nog kort en krachtig toelichten.

Verder kunnen we al aankondigen dat het budget voor ontwikkelingssamenwerking die zich richt op bestrijding van de klimaatopwarming, verdrievoudigd wordt. Klimaatopwarming werkt de mondiale verspreiding van tropische ziekten en virussen namelijk in de hand.

Ik richt mij ook speciaal op al wie de komende maanden gevaccineerd wordt. Wees blij, gelukkig en dankbaar. Breng bezoekjes aan mensen met een korte contactenlijst. Pak lifters mee die een drukke trein vermijden en wens ze een mooie reis.

Laat ons, lieve landgenoten, het gezucht en gezeur ver achterwege laten en vooruitblikken op ongelimiteerde mogelijkheden, vrijheid en geluk, dat we als zuiver bergwater zullen herontdekken en herwaarderen.

Wij willen er staan voor jullie allemaal. Elk van jullie vormt voor ons zijn eigenste lobbygroep.

Geniet nu maar van de dag, wij waken over de lange termijn. Veel sterkte, we komen hier samen uit.

Ik ben niet eenzaam. Ik word zot.

‘Ben je niet eenzaam als je zo altijd binnen zit?’ De lockdownvraag. ‘Neen, zeker?’, denk ik dan. Eenzaamheid verbind ik aan onvolledigheid, aan een ander nodig hebben om een geheel te vormen, aan verpieteren omdat je niet gezien wordt, je ook buitenshuis niet wordt verbonden. Als eenzaamheid gaat over ineenkrimpen, verschrompelen, jezelf alleen nog in de hoeken van de kamer zien zitten, je knieën opgetrokken, dan kan ik eenzaamheid niet claimen. Dat kan ik niet maken.

Niet tegenover hij die hoorde zeggen dat hij niets kan, die ouders had die hem verkleuterden, broers die in hem niets zagen. Eenzaam is ook hij die zich daartegen heeft verzet, een vuist maakte, een eigen bedrijf startte dat nu over de kop ging, zijn zelfvertrouwen is weggevaagd. Zie je wel dat je het niet kan, fezelen stemmen uit zijn verleden, ze vreten aan zijn hoofd, hij bevecht ze mentaal: ‘het was tenslotte lockdown’.

Eenzaam is de moeder in de wachtzaal van de oncologie die een babysit regelt. Net wanneer ze belt – jas, trui en sjaal in haar schoot – wordt ze binnen geroepen. Ze haast zich, propt alles onder haar arm, een handschoen valt de gang in en blijft er liggen, een operatie lang. Voor haar eigen gezondheid krijgt ze geen bezoek.

Onder dat chirurgisch licht kan je me niet eenzaam noemen, dat is een onrecht. Juister is te zeggen dat ik zot word. Ik ben één met mezelf, maar vorm niet meer dan een geheel. Met niets dat uit mij rolt, raak ik nog iets aan. Uit mijn lijf willen duizend mensen naar buiten, maar weinigen zien het nut ervan in. Ze kunnen nochtans wat: plannen maken, de buurt opfleuren, een project lanceren, een wedstrijd arbitreren. Ze kunnen iets creëren. Maar voor wie?

Geen kind dat me opeist, geen vrouw die de weg wijst. Ik leid een luizenlockdown en die is listig: er kan veel en dat veel kan altijd later. Ik twijfel voor ik schrijf. Wat draagt het bij? Zou ik niet beter een boek lezen of een film kijken, rekeningen betalen, abonnementen annuleren, die vochtplek in mijn muur bekampen, een sticker tegen reclame kleven? Gewichten heffen voor een beter karuur, een lijst van taken maken? Er zijn veel gemiste geliefden om het allemaal voor te laten.

Ik loop de muren op om bij je te geraken, heb je lichaam van buiten geleerd. We moeten afstand bewaren, de tijd is niet nu. Ik ben een man van grote gebaren, spreek in grote halen, maar doe mijn best, ik mediteer. Ik probeer een kleermakerszit, mijn liezen breken. Ik zet thee. Ik tel de bladeren van een plant, er zijn er bij gekomen. Op Facebook worden met foto’s van een zonnetje dat door kale bomen heen recht in een plas schijnt, hormonen onderdrukt.

Mij maak je niks wijs. De kleine geneugten des leven zijn voornamelijk klein en schieten tekort en niet ver genoeg. Met dichtbundels over seizoenen steek ik de kachel aan. Ik haat de Kalmthoutse heide en al wie daarvan nog rustig wordt.

Mijn overtollige energie bal ik tot platina en zet ik in de zetel met een deken. Ze kan nergens heen, ik voel me een bedrogen zonnepaneel. Mijn smacht doet stoven branden. Met mijn geduld kan ik regeringen vormen, paleizen behangen. In Whatsapp-groepjes spreken buurtbewoners elkaar moed in, ‘hou vol’. Ik schakel alle meldingen uit. Trek uw plan.

Zal ik iemand bellen, zal ik iets bestellen? Of kan dat morgen ook nog wel?

(Een liedje over smacht. Gelukkig Nieuwjaar allemaal!)

Black Lives Matter. Can we stick to the subject?

Amerika en de hele wereld staan in brand. Black Lives Matter spat van de straatstenen, woede komt verwoestend naar buiten, verdrukte stemmen schreeuwen zich schor, ze krijgen eindelijk een venster van aandacht.

En dan zijn er altijd mensen die zeggen: “alle levens doen ertoe”. En eraan toevoegen: “In Zuid-Afrika worden er nu ook blanken vermoord, hoor. En in Turkije en het Midden-Oosten christenen. Als je het over racisme wil hebben, moet je daar ook over praten.”

Theorie alleen is niet genoeg

Gaan we uit van de goeie bedoelingen van deze mensen, dan kunnen we stellen dat ze streven naar een objectieve benadering. Ze waarschuwen voor tunnelvisie, wijzen erop dat racisme zich in alle gedaanten kan manifesteren en dat niet alleen zwarten gediscrimineerd worden – en zij zich dus niet slechter behandeld hoeven te voelen en het thema eigenlijk niet mogen opeisen.

De moeilijkheid om met deze mensen in discussie te treden ligt erin dat ze puur theoretisch gelijk hebben en vaak ook puur theoretisch denken. Maar ‘gelijk hebben’ zit niet alleen in ratio en feiten op papier. We zijn daar in het westen wel geweldig mee opgegroeid, maar er spelen ook andere factoren in ‘gelijk hebben’ of ‘gelijk krijgen’. Ook het gewicht en de timing van je inbreng tellen mee.

Over het ‘gewicht’ denk ik dat die inbreng in deze kwestie te licht weegt. Natuurlijk zijn er overal ter wereld vormen van racisme, in vele gedaanten. Maar het racisme naar zwarten is toch duidelijk een wereldwijd probleem dat zijn historische wortels kent in kolonialisme en slavernij en in die zin zo hardnekkig blijft voortleven. De beeldvorming over de zwarte als minderwaardige dienaar of ‘wilde’ die gecultiveerd moet worden, is er bij witte mensen jaar en dag ingepompt, om kolonisering en slavenhandel te vergoelijken of propaganderen. En dat kent in onze hoofden zijn uitlopers tot vandaag. Het gaat om een structureel en systemisch probleem op wereldvlak. Dus lijkt me een grote focus op Black Lives Matter niet meer dan terecht, want hier is enorm veel werk te verrichten, nog altijd en over zowat de hele wereld.

Daarnaast is er de timing van deze ‘all lives matter’-opmerkingen en dan stappen we het domein van de empathie binnen. Op dit moment de Black Lives Matter-protesten gaan relativeren door het over andere minderheidsgroepen op bepaalde plekken in de wereld te gaan hebben, is op zijn zachtst gezegd ongelukkig te noemen. En scherper gesteld is het vooral kwetsend.

En ook nu moet je zwijgen?

Het geeft zwarte mensen vooral het gevoel dat ze ook nu weer moeten zwijgen. Ze zaten met aanhangers samen rond één hypergeconcentreerd en ijzersterk debat, rond één kaars, zeg maar, en dan komt er iemand extern de neonlampen aanfloepen, ‘om het debat breed te houden’. Maar het debat moet niet opengetrokken worden, want nu gaat het over Black Lives Matter en dat mag en moet er zijn.

Bij dat kaarslicht valt genoeg te ventileren en te delen over racisme, discriminatie en politiegeweld. Er kunnen tegenargumenten of verzachtende verklaringen worden aangebracht, dat wel, maar dan wel binnen dit thema. Denk aan stedelijke criminaliteit in bepaalde wijken en de nood aan orde en gezag, de angst van het politiekorps en Trump die de gemoederen verhit. In dit gefocust debat mag ook herinnerd worden aan knielende agenten – het zijn niet allemaal racisten. Er wordt ook gepraat over hoe breed, verborgen en geniepig racisme zich vertoont: in minder job- en opleidingskansen, in gesmoorde stemmen, in zwarte professoren die door kranten niet voor hun dossierkennis worden opgebeld, maar wel eenmalig voor hun verhaal over racisme – voor in de Black Lives Matter-weekendbijlage. Het gesprek bij kaarslicht gaat over verdachtmakingen, over aangesproken worden in kreupel Frans, over wat een schattig kroezelhaar gij wel niet hebt, over zogezegde complimenten dat ge toch wel goed op tijd zijt voor een Afrikaan, over uw anders zijn de hele godganse dag.

Laat deze mensen zich uitspreken en luister nu eerst naar wat ze zeggen, alvorens er andere zaken bij te sleuren. Het is mensonterend om net op zulk kwetsbaar moment, na de dood van Georg Floyd, te moeten horen dat je alles ook een beetje moet relativeren. En zeker als dat opgelegd wordt vanuit een vergelijking die maar half steek houdt, er slechts in de verte mee te maken heeft.

In volle redevoering, in het midden van je emotioneel betoog, word je abrupt afgebroken door een manke vergelijking, een niet ter zake doend en ver verhaal uit Syrië. Weg sfeer, weg erkenning. Je toont je een groots debater met gevoel voor rede en zeker geen ‘woedende neger’, dus je vermant je en slaat instant aan het googelen: ‘wat zijn koptische christenen?’. Je duwt je tranen terug, je slikt je pijn door.

In jogging naar de nachtwinkel en langs de kapper naar huis: dit wordt voor iedereen wennen

Beste vrienden,

Het zijn coronatijden, het wordt voor jullie allen wat aanpassen. À la guerre comme à la guerre. Om de nieuwe coronamaatregelen te omzeilen, zal ik er namelijk wat raar bij lopen. Ik wil jullie niet bruuskeren, maar reken toch op wat visuele vervuiling als je me de komende drie weken tegenkomt.  

Ik zal namelijk permanent rondlopen op loopschoenen en in die ene jogging die ik heb. Zo kennen jullie mij niet en dat kan in het begin moeilijk aanvoelen, maar het is al joggend dat ik van premier Wilmès nog mag buitenkomen, dus wees ook gewoon een beetje blij dat dit nog kan. Als we samen zijn, zal het hijgend zijn en met een lijfgeur, maar het zal zijn. Ik sta uitgeput maar innig aan jullie stoep.

Ik weet dat ik veel van jullie vraag, maar we moeten hier samen door. Ik hoop in onze vriendenkring hiervoor een draagvlak te vinden, maar beloof dat dag op dag te evalueren. Ik zal die stappen slechts doorzetten als jullie mee zijn. Wie het in tussentijd hiermee moeilijk heeft, kan terecht bij de opvang in de Steinerschool om hier op zijn eigen ritme mee om te gaan. Tenminste als jullie ouders zelf in geen opvang kunnen voorzien of actief zijn in de zorgsector.  

Weet: dit alles heeft best mooie kanten. Tegenover een flik die niet in mijn intervaltraining gelooft, zal ik je een vriend in nood noemen. Ik zal zeggen dat ik voor jou op weg ben naar de winkel. En ik maak dat voor jou ook waar: ik ga tegen tienen in de wachtrij voor de nachtwinkel staan en breng je een fles tequila en tortillachips mee. We zullen wel binnen moeten zitten want er is een samenscholingsverbod, maar met je ramen op kip valt dat reuze mee en bouwen we alsnog een feestje.

Nachtelijk joggen, daar lachen ze niet mee, dus moet ik blijven slapen. Ben je geen man: in hetzelfde bed, geloofwaardig essentieel. En laat het dan hartstochtelijk zijn. Lig ik er ’s morgens in jouw armen verslonst bij, naast kruimels croissant, mijn haar in de war? Er is geen nood. Joke, Joke, ik trek mijn joggingbroekje aan en loop naar de kapper, want dat blijft perfect legaal. In weken waarin het aankomt op leven en dood, weet onze regering dat je haar goed moet liggen. Als we sterven, dan in stijl.

Wel kom ik mogelijk verminkt uit het kapsalon. Bij fysiek contact met name, moet mijn kapper anderhalve meter afstand houden en met zijn handen van mijn gezicht en mijn haar blijven, dus vooroverbuigend, in een poging toch mijn haar te knippen, zou hij zijn evenwicht kunnen verliezen en mijn oog kunnen uitsteken. Ik vraag veel van je, maar ik weet dat je dit trotseren kan, vriendin, tegen dan toch mijn lief. Ook als eenoog hou ik van jou.

Ik zal terugkomen. Op donkere dagen haal ik je op met de wagen en gaan we samen tanken, want ook dat mag gelukkig nog. Logisch: hoe ga je zonder auto naar de winkel en de bank? En naar de post, voor essentiële postzegels?

Ik weet het, het worden vreemde tijden en je zult mij anders leren kennen. Maar we blijven elkaar zien, en ook intiemer en beter, in het aanschijn van de dood. Kan je dat ook zien? We blijven gewoon samen en het zal ons niets kosten. Boetes die een agent niet mag geven, zal ik niet spontaan betalen, ik beloof het je.

Kan jij me dan beloven dat je kan geloven dat niets echt anders zal zijn?

Liefs,

Johan